burger
zelfstandig naamwoord ˈbʏrɣərBetekenis
- inwoner van een stad of staat die bepaalde wettelijke rechten en plichten heeft
- lid van de burgerbevolking, in tegenstelling tot een strijdende partij of ordedienst
- schijfvormig gebakken of gegrild rundergehakt of iets vergelijkbaars
- in twee helften gesneden broodje met daartussen een schijf gebakken of gegrild rundergehakt of iets vergelijkbaars, met saus en groenten
- hamburger
Hoe spreek je burger uit?
/ˈbʏrxər/
Burger bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ʏ | put |
| r | rood |
| x | acht |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- inwoner van een land of stad die niet van adellijke afkomst is
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| burgers | enkelvoud |
| burgertje | verkleinwoord |
| burgertjes | verkleinwoord, enkelvoud |
zelfstandig naamwoord — masculine
- als schijf gevormd en gebakken of gegrild kleingehakt, met kruiden vermengd vlees uit rund en/of varken, of iets vergelijkbaars
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| burgers | enkelvoud |
| burgertje | verkleinwoord |
| burgertjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Woordfamilie van burger
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| burgers | enkelvoud | burger |
| burgertje | verkleinwoord | burger |
| burgertjes | verkleinwoord | burger |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van burger zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- burgemeester
- burgerbevolking
- burgerdocent
- burgeres
- burgerij
- burgerinitiatief
- burgerjournalistiek
- burgerkleren
- burgerlijk
- burgerluchtvaart
- burgerman
- burgeroorlog
- burgerpak
- burgerparticipatie
- burgerplicht
- burgerpresident
- burgerrecht
- burgerschap
- burgerschool
- burgerservicenummer
- burgerstand
- burgertrut
- burgervader
- burgerwacht