Naar de inhoud

bukken

vooroverbuigen, je verlagen tot iets

bukken

werkwoord /ˈbɵkən/

Betekenis

  1. vooroverbuigen, je verlagen tot iets
  2. zich ~: het lichaam geheel voorover buigen (om bij iets lagers te komen)

Hoe spreek je bukken uit?

/ˈbɵkən/

Bukken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈbɵkən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
b bak
ɵ put
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van bukken

bukkenhele werkwoord — bukteverleden tijd enkelvoud — buktenverleden tijd meervoud — gebuktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik buk bukte
jij bukt bukte
hij, zij, het bukt bukte
wij bukken bukten
jullie bukken bukten
zij bukken bukten
Alle 89 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
buk gebiedende wijs
buk me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
buk u/je , bukt je gebiedende wijs
bukke aanvoegende wijs
bukke zich aanvoegende wijs
bukken je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bukken ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bukken zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bukkend onvoltooid, deelwoord
bukt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
bukt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
bukt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bukt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
bukt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
bukt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bukte verleden tijd
bukte je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
bukte me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
bukte u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
bukte u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
bukte zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
bukte zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
bukte zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
bukten je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
bukten ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
bukten zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
ev. gebiedende wijs
gebukt verleden tijd, deelwoord
gebukt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebukt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gebukt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gebukt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gebukt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gebukt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gebukt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gebukt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gebukt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gebukt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebukt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gebukt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebukt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gebukt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gebukt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebukt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebukt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te bukken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gebukt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bukken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal bukken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bukken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bukken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gebukt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebukt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gebukt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me bukken eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich bukken derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je bukken tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich bukkend onvoltooid, deelwoord
zich gebukt hebben verleden tijd
zou bukken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bukken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bukken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gebukt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebukt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebukt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bukken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bukken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bukken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gebukt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gebukt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gebukt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt bukken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gebukt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen bukken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bukken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bukken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bukken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gebukt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gebukt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gebukt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen je bukken tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons bukken eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen zich bukken derde persoon, toekomende tijd, meervoud
zult bukken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gebukt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult u bukken tweede persoon
zult u bukken tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult zich/u bukken tweede persoon
zult zich/u bukken tweede persoon, toekomende tijd, meervoud

Herkomst

In de betekenis van ‘vooroverbuigen’ voor het eerst aangetroffen in 1445

Woordfamilie van bukken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
buk gebiedende wijs bukken
bukke aanvoegende wijs bukken
bukkend onvoltooid deelwoord bukken
bukkende woordvorm bukken
bukt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon bukken
bukte verleden tijd bukken
bukten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon bukken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bukken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over bukken

Hoe spreek ik bukken uit?
Zo spreek je bukken uit: /ˈbɵkən/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van bukken?
Bukken is een werkwoord. De betekenis is: vooroverbuigen, je verlagen tot iets. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik bukken?
Zo vervoeg je bukken zo: de tegenwoordige tijd is buk, de verleden tijd is bukte en het voltooid deelwoord is gebukt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bukken is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. U 4
  3. K 3
  4. K 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bukken levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. U 2
  3. K 3
  4. K 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 14 zonder bonus
  8. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

bukken telt 6 letters, waarvan 5 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

bukken in het kort

bukken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van bukken staan er 60 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort bukken bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

bukken: vooroverbuigen, je verlagen tot iets
Deel bukken — standaardnederlands.nl