buitenzetten
werkwoordBetekenis
- uit het gebouw verwijderen
Vervoeging van buitenzetten
buitenzettenhele werkwoord — zette buitenverleden tijd enkelvoud — zetten buitenverleden tijd meervoud — buitengezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet buiten | zette buiten |
| jij | zet buiten | zette buiten |
| hij, zij, het | zet buiten | zette buiten |
| wij | zetten buiten | zetten buiten |
| jullie | zetten buiten | zetten buiten |
| zij | zetten buiten | zetten buiten |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| buiten te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| buiten te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| buiten zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| buiten zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| buiten zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| buiten zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| buiten zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| buiten zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| buiten zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| buitengezet | verleden tijd, deelwoord |
| buitengezet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| buitengezet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| buitengezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| buitengezet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| buitengezet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| buitengezet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| buitengezet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| buitengezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| buitengezet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| buitengezet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| buitenzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| buitenzette | bijzin, verleden tijd |
| buitenzettend | onvoltooid, deelwoord |
| er is buitengezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was buitengezet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd buitengezet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt buitengezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal buitengezet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal buitengezet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou buitengezet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou buitengezet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had buitengezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had buitengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had buitengezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden buitengezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden buitengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden buitengezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt buitengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben buitengezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben buitengezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen buitenzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart buitengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren buitengezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren buitengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren buitengezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was buitengezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was buitengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was buitengezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd buitengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd buitengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd buitengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden buitengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden buitengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden buitengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt buitengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word buitengezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden buitengezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden buitengezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden buitengezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt buitengezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt buitengezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal buitengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal buitengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal buitengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal buitengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal buitengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal buitengezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal buitengezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal buitenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal buitenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal buitenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal buitenzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zet buiten | gebiedende wijs |
| zette buiten | verleden tijd |
| zijn buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou buitengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou buitengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou buitengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou buitengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou buitengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou buitengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou buitengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou buitengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou buitengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou buitenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou buitenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou buitenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou buitenzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) buitenzetten buiten zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden buitengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden buitengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden buitengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden buitengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden buitengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden buitengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden buitengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden buitengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden buitengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden buitenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden buitenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden buitenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden buitenzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt buitengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt buitengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt buitengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt buitenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt buitenzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen buitengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen buitengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen buitengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen buitengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen buitengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen buitengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen buitengezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen buitengezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen buitengezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen buitenzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen buitenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen buitenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen buitenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen buitenzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult buitengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult buitengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult buitengezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van buitenzetten
Vervoeging van buitenzetten
buitenzettenhele werkwoord — zette buitenverleden tijd enkelvoud — zetten buitenverleden tijd meervoud — buitengezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet buiten | zette buiten |
| jij | zet buiten | zette buiten |
| hij, zij, het | zet buiten | zette buiten |
| wij | zetten buiten | zetten buiten |
| jullie | zetten buiten | zetten buiten |
| zij | zetten buiten | zetten buiten |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| buiten te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| buiten te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| buiten zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| buiten zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| buiten zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| buiten zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| buiten zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| buiten zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| buiten zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| buitengezet | verleden tijd, deelwoord |
| buitengezet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| buitengezet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| buitengezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| buitengezet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| buitengezet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| buitengezet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| buitengezet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| buitengezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| buitengezet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| buitengezet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| buitenzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| buitenzette | bijzin, verleden tijd |
| buitenzettend | onvoltooid, deelwoord |
| er is buitengezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was buitengezet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd buitengezet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt buitengezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal buitengezet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal buitengezet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou buitengezet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou buitengezet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had buitengezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had buitengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had buitengezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden buitengezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden buitengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden buitengezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt buitengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben buitengezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben buitengezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen buitenzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart buitengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren buitengezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren buitengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren buitengezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was buitengezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was buitengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was buitengezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd buitengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd buitengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd buitengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden buitengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden buitengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden buitengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt buitengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word buitengezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden buitengezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden buitengezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden buitengezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt buitengezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt buitengezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal buitengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal buitengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal buitengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal buitengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal buitengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal buitengezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal buitengezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal buitenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal buitenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal buitenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal buitenzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zet buiten | gebiedende wijs |
| zette buiten | verleden tijd |
| zijn buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt buitengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou buitengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou buitengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou buitengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou buitengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou buitengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou buitengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou buitengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou buitengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou buitengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou buitenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou buitenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou buitenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou buitenzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) buitenzetten buiten zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden buitengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden buitengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden buitengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden buitengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden buitengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden buitengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden buitengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden buitengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden buitengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden buitenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden buitenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden buitenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden buitenzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt buitengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt buitengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt buitengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt buitenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt buitenzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen buitengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen buitengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen buitengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen buitengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen buitengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen buitengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen buitengezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen buitengezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen buitengezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen buitenzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen buitenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen buitenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen buitenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen buitenzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult buitengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult buitengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult buitengezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van buiten en zetten
Woordfamilie van buitenzetten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| buitengezet | voltooid deelwoord | buitenzetten |
| buitengezette | woordvorm | buitenzetten |
| buitenzet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | buitenzetten |
| buitenzette | subordinate-clause, verleden tijd | buitenzetten |
| buitenzettend | onvoltooid deelwoord | buitenzetten |
| buitenzettende | woordvorm | buitenzetten |
| zet buiten | gebiedende wijs | buitenzetten |
| zette buiten | verleden tijd | buitenzetten |
| zetten buiten | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | buitenzetten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van buitenzetten zijn vastgelegd.