buitenstaan
werkwoordBetekenis
- zich buiten een bepaalde plek bevinden
- ergens ~: ergens niets mee te maken (willen) hebben
Vervoeging van buitenstaan
buitenstaanhele werkwoord — stond buitenverleden tijd enkelvoud — stonden buitenverleden tijd meervoud — buitengestaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sta buiten | stond buiten |
| jij | staat buiten | stond buiten |
| hij, zij, het | staat buiten | stond buiten |
| wij | staan buiten | stonden buiten |
| jullie | staan buiten | stonden buiten |
| zij | staan buiten | stonden buiten |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| buiten te staan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| buiten te zullen staan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| buiten zal staan | bijzin, toekomende tijd |
| buiten zou staan | bijzin, voorwaardelijk |
| buiten zouden staan | bijzin, voorwaardelijk |
| buiten zoudt staan | bijzin, voorwaardelijk |
| buiten zullen staan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| buiten zullen staan | bijzin, toekomende tijd |
| buiten zult staan | bijzin, toekomende tijd |
| buitengestaan | verleden tijd, deelwoord |
| buitengestaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| buitengestaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| buitensta | bijzin, tegenwoordige tijd |
| buitenstaand | onvoltooid, deelwoord |
| buitenstaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| buitenstond | bijzin, verleden tijd |
| buitenstonden | bijzin, verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had buitengestaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had buitengestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had buitengestaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden buitengestaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden buitengestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden buitengestaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt buitengestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb buitengestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben buitengestaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben buitengestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben buitengestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben buitengestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt buitengestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft buitengestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft buitengestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sta buiten | gebiedende wijs |
| stond buiten | verleden tijd |
| te hebben buitengestaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen buitenstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal buitengestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal buitengestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal buitengestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal buitenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal buitenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal buitenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal buitenstaan | bijzin, toekomende tijd |
| zou buitengestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou buitengestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou buitengestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou buitenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou buitenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou buitenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou buitenstaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) buitenstaan buiten zou(dt) staan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden buitengestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden buitengestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden buitengestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden buitenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden buitenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden buitenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden buitenstaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt buitengestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt buitenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt buitenstaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen buitengestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen buitengestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen buitengestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen buitenstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen buitenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen buitenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen buitenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen buitenstaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult buitengestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult buitenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult buitenstaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal buitenstaan buiten zult/zal staan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van buiten en staan
Woordfamilie van buitenstaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| buitengestaan | voltooid deelwoord | buitenstaan |
| buitensta | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | buitenstaan |
| buitenstaand | onvoltooid deelwoord | buitenstaan |
| buitenstaande | woordvorm | buitenstaan |
| buitenstaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | buitenstaan |
| buitenstond | subordinate-clause, verleden tijd | buitenstaan |
| buitenstonden | subordinate-clause, verleden tijd | buitenstaan |
| sta buiten | gebiedende wijs | buitenstaan |
| staan buiten | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | buitenstaan |
| staat buiten | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | buitenstaan |
| stond buiten | verleden tijd | buitenstaan |
| stonden buiten | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | buitenstaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van buitenstaan zijn vastgelegd.