Naar de inhoud

buitenstaan

zich buiten een bepaalde plek bevinden

buitenstaan

werkwoord

Betekenis

  1. zich buiten een bepaalde plek bevinden
  2. ergens ~: ergens niets mee te maken (willen) hebben

Vervoeging van buitenstaan

buitenstaanhele werkwoord — stond buitenverleden tijd enkelvoud — stonden buitenverleden tijd meervoud — buitengestaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sta buiten stond buiten
jij staat buiten stond buiten
hij, zij, het staat buiten stond buiten
wij staan buiten stonden buiten
jullie staan buiten stonden buiten
zij staan buiten stonden buiten
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
buiten te staan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
buiten te zullen staan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
buiten zal staan bijzin, toekomende tijd
buiten zou staan bijzin, voorwaardelijk
buiten zouden staan bijzin, voorwaardelijk
buiten zoudt staan bijzin, voorwaardelijk
buiten zullen staan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
buiten zullen staan bijzin, toekomende tijd
buiten zult staan bijzin, toekomende tijd
buitengestaan verleden tijd, deelwoord
buitengestaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
buitengestaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
buitensta bijzin, tegenwoordige tijd
buitenstaand onvoltooid, deelwoord
buitenstaat bijzin, tegenwoordige tijd
buitenstond bijzin, verleden tijd
buitenstonden bijzin, verleden tijd
ev. gebiedende wijs
had buitengestaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had buitengestaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had buitengestaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden buitengestaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden buitengestaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden buitengestaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt buitengestaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb buitengestaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben buitengestaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben buitengestaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben buitengestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben buitengestaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt buitengestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft buitengestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft buitengestaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sta buiten gebiedende wijs
stond buiten verleden tijd
te hebben buitengestaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen buitenstaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal buitengestaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal buitengestaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal buitengestaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal buitenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal buitenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal buitenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal buitenstaan bijzin, toekomende tijd
zou buitengestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou buitengestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou buitengestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou buitenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou buitenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou buitenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou buitenstaan bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) buitenstaan buiten zou(dt) staan bijzin, voorwaardelijk
zouden buitengestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden buitengestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden buitengestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden buitenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden buitenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden buitenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden buitenstaan bijzin, voorwaardelijk
zoudt buitengestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt buitenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt buitenstaan bijzin, voorwaardelijk
zullen buitengestaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen buitengestaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen buitengestaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen buitenstaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen buitenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen buitenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen buitenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen buitenstaan bijzin, toekomende tijd
zult buitengestaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult buitenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult buitenstaan bijzin, toekomende tijd
zult/zal buitenstaan buiten zult/zal staan bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van buiten en staan

Woordfamilie van buitenstaan

Woordvorm Relatie Afgeleid van
buitengestaan voltooid deelwoord buitenstaan
buitensta subordinate-clause, tegenwoordige tijd buitenstaan
buitenstaand onvoltooid deelwoord buitenstaan
buitenstaande woordvorm buitenstaan
buitenstaat subordinate-clause, tegenwoordige tijd buitenstaan
buitenstond subordinate-clause, verleden tijd buitenstaan
buitenstonden subordinate-clause, verleden tijd buitenstaan
sta buiten gebiedende wijs buitenstaan
staan buiten aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon buitenstaan
staat buiten aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon buitenstaan
stond buiten verleden tijd buitenstaan
stonden buiten aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon buitenstaan

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van buitenstaan zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over buitenstaan

Wat betekent buitenstaan?
Buitenstaan is een werkwoord. Het woord betekent: zich buiten een bepaalde plek bevinden. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je buitenstaan?
Je vervoegt buitenstaan als volgt: het voltooid deelwoord is buitengestaan. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord buitenstaan is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. U 4
  3. I 1
  4. T 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. S 2
  8. T 2
  9. A 1
  10. A 1
  11. N 1
  12. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

buitenstaan levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. U 2
  3. I 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. S 2
  8. T 2
  9. A 1
  10. A 1
  11. N 1
  12. 19 zonder bonus
  13. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

buitenstaan in het kort

buitenstaan staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van buitenstaan zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort buitenstaan bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

buitenstaan: zich buiten een bepaalde plek bevinden
Deel buitenstaan — standaardnederlands.nl