buil
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- grote zeef voor het zeven van meel
- zak of zakje met bijvoorbeeld thee of kruiden
- zwelling met het uiterlijk van een bobbel, bult
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| builen | meervoud |
| builtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| builtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van builen
- gebiedende wijs van builen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van builen
Vervoeging van buil
builhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘bult’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van buil
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| builtje | verkleinwoord | buil |
| builtjes | verkleinwoord meervoud | buil |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van buil zijn vastgelegd.