Naar de inhoud

budgetteren

onderbrengen in een begroting

budgetteren

werkwoord

Betekenis

  1. onderbrengen in een begroting

Vervoeging van budgetteren

budgetterenhele werkwoord — budgetteerdeverleden tijd enkelvoud — budgetteerdenverleden tijd meervoud — gebudgetteerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik budgetteer budgetteerde
jij budgetteert budgetteerde
hij, zij, het budgetteert budgetteerde
wij budgetteren budgetteerden
jullie budgetteren budgetteerden
zij budgetteren budgetteerden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
budgetteer gebiedende wijs
budgetteerde verleden tijd
budgettere aanvoegende wijs
budgetterend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
gebudgetteerd verleden tijd, deelwoord
gebudgetteerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebudgetteerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gebudgetteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gebudgetteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gebudgetteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gebudgetteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gebudgetteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gebudgetteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gebudgetteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gebudgetteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebudgetteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gebudgetteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebudgetteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gebudgetteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gebudgetteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebudgetteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebudgetteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te budgetteren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gebudgetteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen budgetteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal budgetteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal budgetteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal budgetteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gebudgetteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebudgetteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gebudgetteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou budgetteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou budgetteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou budgetteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gebudgetteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebudgetteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebudgetteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden budgetteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden budgetteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden budgetteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gebudgetteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gebudgetteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gebudgetteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt budgetteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gebudgetteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen budgetteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen budgetteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen budgetteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen budgetteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gebudgetteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gebudgetteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gebudgetteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult budgetteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gebudgetteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Van het Engelse budget met het achtervoegsel -eren

Woordfamilie van budgetteren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
budgetteer gebiedende wijs budgetteren
budgetteerde verleden tijd budgetteren
budgetteerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon budgetteren
budgetteert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon budgetteren
budgettere aanvoegende wijs budgetteren
budgetterend onvoltooid deelwoord budgetteren
budgetterende woordvorm budgetteren
gebudgetteerd voltooid deelwoord budgetteren
gebudgetteerde woordvorm budgetteren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van budgetteren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over budgetteren

Wat betekent budgetteren?
Budgetteren is een werkwoord. Het woord betekent: onderbrengen in een begroting.
Hoe vervoeg je budgetteren?
Je vervoegt budgetteren als volgt: de tegenwoordige tijd is budgetteer, de verleden tijd is budgetteerde en het voltooid deelwoord is gebudgetteerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord budgetteren is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. U 4
  3. D 2
  4. G 3
  5. E 1
  6. T 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

budgetteren levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. U 2
  3. D 2
  4. G 3
  5. E 1
  6. T 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 zonder bonus
  13. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

budgetteren in het kort

budgetteren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van budgetteren zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort budgetteren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

budgetteren: onderbrengen in een begroting
Deel budgetteren — standaardnederlands.nl