brutaliseren
werkwoordBetekenis
- met grofheid of geweld bejegenen
Vervoeging van brutaliseren
brutaliserenhele werkwoord — brutaliseerdeverleden tijd enkelvoud — brutaliseerdenverleden tijd meervoud — gebrutaliseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | brutaliseer | brutaliseerde |
| jij | brutaliseert | brutaliseerde |
| hij, zij, het | brutaliseert | brutaliseerde |
| wij | brutaliseren | brutaliseerden |
| jullie | brutaliseren | brutaliseerden |
| zij | brutaliseren | brutaliseerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gebrutaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gebrutaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| brutaliseer | gebiedende wijs |
| brutaliseerde | verleden tijd |
| brutalisere | aanvoegende wijs |
| brutaliserend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebrutaliseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebrutaliseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebrutaliseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebrutaliseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebrutaliseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebrutaliseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebrutaliseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebrutaliseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebrutaliseerd | verleden tijd, deelwoord |
| gebrutaliseerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebrutaliseerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebrutaliseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebrutaliseerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebrutaliseerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebrutaliseerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebrutaliseerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebrutaliseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebrutaliseerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebrutaliseerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebrutaliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebrutaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebrutaliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebrutaliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebrutaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebrutaliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebrutaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebrutaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebrutaliseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebrutaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebrutaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebrutaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebrutaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebrutaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebrutaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gebrutaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gebrutaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te brutaliseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebrutaliseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen brutaliseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gebrutaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebrutaliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gebrutaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebrutaliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gebrutaliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gebrutaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gebrutaliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gebrutaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gebrutaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gebrutaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gebrutaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gebrutaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gebrutaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gebrutaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gebrutaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gebrutaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gebrutaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gebrutaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gebrutaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gebrutaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal brutaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal brutaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal brutaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebrutaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebrutaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebrutaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gebrutaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebrutaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gebrutaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebrutaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gebrutaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gebrutaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gebrutaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gebrutaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou brutaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou brutaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou brutaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebrutaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebrutaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebrutaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gebrutaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebrutaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gebrutaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebrutaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebrutaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebrutaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden brutaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden brutaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden brutaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebrutaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebrutaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebrutaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebrutaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gebrutaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gebrutaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebrutaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebrutaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebrutaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt brutaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebrutaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebrutaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebrutaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen brutaliseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen brutaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen brutaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen brutaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebrutaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebrutaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebrutaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebrutaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gebrutaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gebrutaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebrutaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebrutaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebrutaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult brutaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebrutaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebrutaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebrutaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Van het Engelse brutalise of het Franse brutaliser met het achtervoegsel -iseren
Woordfamilie van brutaliseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| brutaliseer | gebiedende wijs | brutaliseren |
| brutaliseerde | verleden tijd | brutaliseren |
| brutaliseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | brutaliseren |
| brutaliseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | brutaliseren |
| brutalisere | aanvoegende wijs | brutaliseren |
| brutaliserend | onvoltooid deelwoord | brutaliseren |
| brutaliserende | woordvorm | brutaliseren |
| gebrutaliseerd | voltooid deelwoord | brutaliseren |
| gebrutaliseerde | woordvorm | brutaliseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van brutaliseren zijn vastgelegd.