bruineren
werkwoordBetekenis
- bruin maken
- metaalbehandeling die eruit bestaat door de werking van zuren dezen met een oxidelaag te bedekken om het natuurlijke roesten te voorkomen
Vervoeging van bruineren
bruinerenhele werkwoord — bruineerdeverleden tijd enkelvoud — bruineerdenverleden tijd meervoud — gebruineerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bruineer | bruineerde |
| jij | bruineert | bruineerde |
| hij, zij, het | bruineert | bruineerde |
| wij | bruineren | bruineerden |
| jullie | bruineren | bruineerden |
| zij | bruineren | bruineerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gebruineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gebruineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bruineer | gebiedende wijs |
| bruineerde | verleden tijd |
| bruinere | aanvoegende wijs |
| bruinerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebruineerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebruineerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebruineerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebruineerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebruineerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebruineerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebruineerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebruineerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebruineerd | verleden tijd, deelwoord |
| gebruineerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebruineerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebruineerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebruineerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebruineerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebruineerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebruineerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebruineerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebruineerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebruineerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebruineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebruineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebruineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebruineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebruineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebruineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebruineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebruineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebruineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebruineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebruineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebruineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebruineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebruineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebruineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gebruineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gebruineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bruineren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebruineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bruineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gebruineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebruineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gebruineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebruineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gebruineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gebruineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gebruineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gebruineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gebruineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gebruineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gebruineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gebruineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gebruineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gebruineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gebruineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gebruineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gebruineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gebruineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gebruineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gebruineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bruineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bruineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bruineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebruineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebruineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebruineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gebruineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebruineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gebruineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebruineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gebruineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gebruineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gebruineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gebruineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bruineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bruineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bruineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebruineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebruineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebruineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gebruineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebruineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gebruineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebruineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebruineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebruineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bruineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bruineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bruineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebruineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebruineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebruineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebruineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gebruineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gebruineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebruineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebruineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebruineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bruineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebruineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebruineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebruineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bruineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bruineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bruineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bruineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebruineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebruineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebruineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebruineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gebruineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gebruineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebruineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebruineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebruineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bruineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebruineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebruineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebruineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse brunir (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van bruineren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bruineer | gebiedende wijs | bruineren |
| bruineerde | verleden tijd | bruineren |
| bruineerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bruineren |
| bruineert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bruineren |
| bruinerend | onvoltooid deelwoord | bruineren |
| bruinerende | woordvorm | bruineren |
| gebruineerd | voltooid deelwoord | bruineren |
| gebruineerde | woordvorm | bruineren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bruineren zijn vastgelegd.