brouilleren
werkwoordBetekenis
- in ruzie zijn, elkaar niet meer willen zien
- (van weer) nevelig zijn
werkwoord
- nevelig zijn
Vervoeging van brouilleren
brouillerenhele werkwoord — brouilleerdeverleden tijd enkelvoud — brouilleerdenverleden tijd meervoud — gebrouilleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | brouilleer | brouilleerde |
| jij | brouilleert | brouilleerde |
| hij, zij, het | brouilleert | brouilleerde |
| wij | brouilleren | brouilleerden |
| jullie | brouilleren | brouilleerden |
| zij | brouilleren | brouilleerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| brouilleer | gebiedende wijs |
| brouilleerde | verleden tijd |
| brouillere | aanvoegende wijs |
| brouillerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebrouilleerd | verleden tijd, deelwoord |
| gebrouilleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebrouilleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebrouilleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebrouilleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebrouilleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebrouilleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebrouilleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebrouilleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebrouilleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebrouilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebrouilleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebrouilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebrouilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebrouilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebrouilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebrouilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebrouilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te brouilleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebrouilleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen brouilleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal brouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal brouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal brouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebrouilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebrouilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebrouilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou brouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou brouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou brouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebrouilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebrouilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebrouilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden brouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden brouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden brouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebrouilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebrouilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebrouilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt brouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebrouilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen brouilleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen brouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen brouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen brouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebrouilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebrouilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebrouilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult brouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebrouilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘onenig maken’ voor het eerst aangetroffen in 1573
Woordfamilie van brouilleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| brouilleer | gebiedende wijs | brouilleren |
| brouilleerde | verleden tijd | brouilleren |
| brouilleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | brouilleren |
| brouilleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | brouilleren |
| brouillere | aanvoegende wijs | brouilleren |
| brouillerend | onvoltooid deelwoord | brouilleren |
| brouillerende | woordvorm | brouilleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van brouilleren zijn vastgelegd.