breeuwen
werkwoordBetekenis
- het dichten van de naden van de scheepshuid met vezels en pek
Vervoeging van breeuwen
breeuwenhele werkwoord — breeuwdeverleden tijd enkelvoud — breeuwdenverleden tijd meervoud — gebreeuwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | breeuw | breeuwde |
| jij | breeuwt | breeuwde |
| hij, zij, het | breeuwt | breeuwde |
| wij | breeuwen | breeuwden |
| jullie | breeuwen | breeuwden |
| zij | breeuwen | breeuwden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gebreeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gebreeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| breeuw | gebiedende wijs |
| breeuwde | verleden tijd |
| breeuwe | aanvoegende wijs |
| breeuwend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebreeuwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebreeuwd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebreeuwd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebreeuwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebreeuwd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebreeuwd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebreeuwd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebreeuwd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebreeuwd | verleden tijd, deelwoord |
| gebreeuwd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebreeuwd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebreeuwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebreeuwd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebreeuwd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebreeuwd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebreeuwd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebreeuwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebreeuwd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebreeuwd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebreeuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebreeuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebreeuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebreeuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebreeuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebreeuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebreeuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebreeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebreeuwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebreeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebreeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebreeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebreeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebreeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebreeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gebreeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gebreeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te breeuwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebreeuwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen breeuwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gebreeuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebreeuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gebreeuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebreeuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gebreeuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gebreeuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gebreeuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gebreeuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gebreeuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gebreeuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gebreeuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gebreeuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gebreeuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gebreeuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gebreeuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gebreeuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gebreeuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gebreeuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gebreeuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gebreeuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal breeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal breeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal breeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebreeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebreeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebreeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gebreeuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebreeuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gebreeuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebreeuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gebreeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gebreeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gebreeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gebreeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou breeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou breeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou breeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebreeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebreeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebreeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gebreeuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebreeuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gebreeuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebreeuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebreeuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebreeuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden breeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden breeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden breeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebreeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebreeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebreeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebreeuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gebreeuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gebreeuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebreeuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebreeuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebreeuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt breeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebreeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebreeuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebreeuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen breeuwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen breeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen breeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen breeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebreeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebreeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebreeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebreeuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gebreeuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gebreeuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebreeuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebreeuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebreeuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult breeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebreeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebreeuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebreeuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘naden dichten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351
Woordfamilie van breeuwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| breeuw | gebiedende wijs | breeuwen |
| breeuwde | verleden tijd | breeuwen |
| breeuwden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | breeuwen |
| breeuwe | aanvoegende wijs | breeuwen |
| breeuwend | onvoltooid deelwoord | breeuwen |
| breeuwende | woordvorm | breeuwen |
| breeuwt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | breeuwen |
| gebreeuwd | voltooid deelwoord | breeuwen |
| gebreeuwde | woordvorm | breeuwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van breeuwen zijn vastgelegd.