Naar de inhoud

bovenliggen

boven op iets of iemand liggen

bovenliggen

werkwoord

Betekenis

  1. boven op iets of iemand liggen
  2. iemand de baas zijn

Vervoeging van bovenliggen

bovenliggenhele werkwoord — lag bovenverleden tijd enkelvoud — lagen bovenverleden tijd meervoud — bovengelegenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik lig boven lag boven
jij ligt boven laagt boven
hij, zij, het ligt boven lag boven
wij liggen boven lagen boven
jullie liggen boven lagen boven
zij liggen boven lagen boven
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
boven te liggen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
boven te zullen liggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
boven zal liggen bijzin, toekomende tijd
boven zou liggen bijzin, voorwaardelijk
boven zouden liggen bijzin, voorwaardelijk
boven zoudt liggen bijzin, voorwaardelijk
boven zullen liggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
boven zullen liggen bijzin, toekomende tijd
boven zult liggen bijzin, toekomende tijd
bovengelegen verleden tijd, deelwoord
bovengelegen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bovengelegen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bovenlaagt bijzin, verleden tijd
bovenlag bijzin, verleden tijd
bovenlagen bijzin, verleden tijd
bovenlig bijzin, tegenwoordige tijd
bovenliggend onvoltooid, deelwoord
bovenligt bijzin, tegenwoordige tijd
ev. gebiedende wijs
had bovengelegen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had bovengelegen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had bovengelegen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden bovengelegen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden bovengelegen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden bovengelegen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt bovengelegen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb bovengelegen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bovengelegen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben bovengelegen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bovengelegen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben bovengelegen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt bovengelegen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bovengelegen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bovengelegen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
lag boven verleden tijd
lig boven gebiedende wijs
te hebben bovengelegen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bovenliggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal bovengelegen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bovengelegen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal bovengelegen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bovenliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bovenliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bovenliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal bovenliggen bijzin, toekomende tijd
zou bovengelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bovengelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bovengelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bovenliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bovenliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bovenliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou bovenliggen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) bovenliggen boven zou(dt) liggen bijzin, voorwaardelijk
zouden bovengelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bovengelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bovengelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bovenliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bovenliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bovenliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden bovenliggen bijzin, voorwaardelijk
zoudt bovengelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bovenliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt bovenliggen bijzin, voorwaardelijk
zullen bovengelegen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bovengelegen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bovengelegen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bovenliggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bovenliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bovenliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bovenliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen bovenliggen bijzin, toekomende tijd
zult bovengelegen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult bovenliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult bovenliggen bijzin, toekomende tijd
zult/zal bovenliggen boven zult/zal liggen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van boven en liggen

Woordfamilie van bovenliggen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bovengelegen voltooid deelwoord bovenliggen
bovenlag subordinate-clause, verleden tijd bovenliggen
bovenlig subordinate-clause, tegenwoordige tijd bovenliggen
bovenligge with-subordinate-clause bovenliggen
bovenliggend onvoltooid deelwoord bovenliggen
bovenliggende woordvorm bovenliggen
bovenligt subordinate-clause, tegenwoordige tijd bovenliggen
lag boven verleden tijd bovenliggen
lagen boven aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon bovenliggen
lig boven gebiedende wijs bovenliggen
ligge boven woordvorm bovenliggen
liggen boven aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon bovenliggen
ligt boven aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon bovenliggen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bovenliggen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over bovenliggen

Wat is de betekenis van bovenliggen?
Bovenliggen is een werkwoord. De betekenis is: boven op iets of iemand liggen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik bovenliggen?
Zo vervoeg je bovenliggen zo: het voltooid deelwoord is bovengelegen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bovenliggen is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. O 1
  3. V 4
  4. E 1
  5. N 1
  6. L 3
  7. I 1
  8. G 3
  9. G 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bovenliggen levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. O 1
  3. V 4
  4. E 1
  5. N 1
  6. L 3
  7. I 2
  8. G 3
  9. G 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 24 zonder bonus
  13. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

bovenliggen in het kort

bovenliggen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van bovenliggen staan er 47 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort bovenliggen bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

bovenliggen: boven op iets of iemand liggen
Deel bovenliggen — standaardnederlands.nl