bouwplan
zelfstandig naamwoord ˈbɑuplɑnBetekenis
- beschrijving hoe iets gebouwd gaat worden
- wat een groep dieren of planten gemeenschappelijk heeft qua vorm en bouw
Hoe spreek je bouwplan uit?
/ˈbɑuplɑn/
Bouwplan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑu | koud |
| p | pak |
| l | land |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bouwplannen | meervoud |
| bouwplannetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bouwplannetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van bouw en plan
Woordfamilie van bouwplan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bouwplannen | meervoud | bouwplan |
| bouwplannetje | verkleinwoord | bouwplan |
| bouwplannetjes | verkleinwoord meervoud | bouwplan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bouwplan zijn vastgelegd.