botsen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈbɔtsə(n)Betekenis
- met een flinke snelheid tegen elkaar aankomen
- in een conflict of ruzie geraken
Hoe spreek je botsen uit?
/ˈbɔtsən/
Botsen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɔ | bot |
| t | tak |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van botsen
botsenhele werkwoord — botsteverleden tijd enkelvoud — botstenverleden tijd meervoud — gebotstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bots | botste |
| jij | botst | botste |
| hij, zij, het | botst | botste |
| wij | botsen | botsten |
| jullie | botsen | botsten |
| zij | botsen | botsten |
Alle 64 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gebotst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gebotst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bots | gebiedende wijs |
| botse | aanvoegende wijs |
| botsend | onvoltooid, deelwoord |
| botste | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebotst | verleden tijd, deelwoord |
| gebotst te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebotst zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebotst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebotst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebotst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebotst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebotst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebotst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebotst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebotst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebotst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebotst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebotst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebotst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebotst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebotst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebotst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gebotst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gebotst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te botsen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben/zijn gebotst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen botsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal botsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal botsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal botsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebotst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebotst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebotst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gebotst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gebotst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gebotst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gebotst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gebotst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou botsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou botsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou botsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebotst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebotst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebotst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden botsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden botsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden botsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebotst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebotst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebotst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt botsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebotst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen botsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen botsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen botsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen botsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebotst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebotst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebotst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult botsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebotst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord bots
Herkomst
In de betekenis van ‘met een schok tegen iets aankomen’ voor het eerst aangetroffen in 1588
Woordfamilie van botsen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| botse | aanvoegende wijs | botsen |
| botsten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | botsen |
| gebotst | voltooid deelwoord | botsen |
| gebotste | woordvorm | botsen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van botsen zijn vastgelegd.