bosseleren
werkwoordBetekenis
- gedreven werk maken op metalen als goud, zilver of koper
- in een beeldbewerkings- of tekenprogramma effecten zoals te zien bij 1 voorbrengen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
werkwoord
- in een beeldbewerkings- of tekenprogramma effecten zoals te zien bij [1] voorbrengen transitive
Vervoeging van bosseleren
bosselerenhele werkwoord — bosseleerdeverleden tijd enkelvoud — bosseleerdenverleden tijd meervoud — gebosseleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bosseleer | bosseleerde |
| jij | bosseleert | bosseleerde |
| hij, zij, het | bosseleert | bosseleerde |
| wij | bosseleren | bosseleerden |
| jullie | bosseleren | bosseleerden |
| zij | bosseleren | bosseleerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bosseleer | gebiedende wijs |
| bosseleerde | verleden tijd |
| bosselere | aanvoegende wijs |
| bosselerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebosseleerd | verleden tijd, deelwoord |
| gebosseleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebosseleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebosseleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebosseleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebosseleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebosseleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebosseleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebosseleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebosseleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebosseleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebosseleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebosseleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebosseleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebosseleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebosseleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebosseleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebosseleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bosseleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebosseleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bosseleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bosseleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bosseleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bosseleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebosseleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebosseleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebosseleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bosseleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bosseleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bosseleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebosseleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebosseleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebosseleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bosseleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bosseleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bosseleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebosseleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebosseleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebosseleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bosseleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebosseleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bosseleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bosseleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bosseleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bosseleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebosseleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebosseleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebosseleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bosseleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebosseleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse bosseler (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van bosseleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bosseleer | gebiedende wijs | bosseleren |
| bosseleerde | verleden tijd | bosseleren |
| bosseleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bosseleren |
| bosseleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bosseleren |
| bosselere | aanvoegende wijs | bosseleren |
| bosselerend | onvoltooid deelwoord | bosseleren |
| bosselerende | woordvorm | bosseleren |
| gebosseleerd | voltooid deelwoord | bosseleren |
| gebosseleerde | woordvorm | bosseleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bosseleren zijn vastgelegd.