Naar de inhoud

bosseleren

gedreven werk maken op metalen als goud, zilver of koper

bosseleren

werkwoord

Betekenis

  1. gedreven werk maken op metalen als goud, zilver of koper
  2. in een beeldbewerkings- of tekenprogramma effecten zoals te zien bij 1 voorbrengen
  3. tweede betekenisomschrijving
  4. enz.

werkwoord

  1. in een beeldbewerkings- of tekenprogramma effecten zoals te zien bij [1] voorbrengen transitive

Vervoeging van bosseleren

bosselerenhele werkwoord — bosseleerdeverleden tijd enkelvoud — bosseleerdenverleden tijd meervoud — gebosseleerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bosseleer bosseleerde
jij bosseleert bosseleerde
hij, zij, het bosseleert bosseleerde
wij bosseleren bosseleerden
jullie bosseleren bosseleerden
zij bosseleren bosseleerden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
bosseleer gebiedende wijs
bosseleerde verleden tijd
bosselere aanvoegende wijs
bosselerend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
gebosseleerd verleden tijd, deelwoord
gebosseleerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebosseleerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gebosseleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gebosseleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gebosseleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gebosseleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gebosseleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gebosseleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gebosseleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gebosseleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebosseleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gebosseleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebosseleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gebosseleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gebosseleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebosseleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebosseleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te bosseleren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gebosseleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bosseleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal bosseleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bosseleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bosseleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gebosseleerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebosseleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gebosseleerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou bosseleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bosseleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bosseleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gebosseleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebosseleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebosseleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bosseleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bosseleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bosseleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gebosseleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gebosseleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gebosseleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt bosseleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gebosseleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen bosseleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bosseleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bosseleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bosseleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gebosseleerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gebosseleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gebosseleerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult bosseleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gebosseleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse bosseler (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van bosseleren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bosseleer gebiedende wijs bosseleren
bosseleerde verleden tijd bosseleren
bosseleerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon bosseleren
bosseleert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon bosseleren
bosselere aanvoegende wijs bosseleren
bosselerend onvoltooid deelwoord bosseleren
bosselerende woordvorm bosseleren
gebosseleerd voltooid deelwoord bosseleren
gebosseleerde woordvorm bosseleren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bosseleren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over bosseleren

Wat is de betekenis van bosseleren?
Bosseleren is een werkwoord. De betekenis is: gedreven werk maken op metalen als goud, zilver of koper. In totaal staan er 5 betekenissen.
Hoe vervoeg ik bosseleren?
Zo vervoeg je bosseleren zo: de tegenwoordige tijd is bosseleer, de verleden tijd is bosseleerde en het voltooid deelwoord is gebosseleerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bosseleren is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. O 1
  3. S 2
  4. S 2
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bosseleren levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. O 1
  3. S 2
  4. S 2
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 zonder bonus
  12. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

bosseleren in het kort

bosseleren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 5 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van bosseleren staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort bosseleren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

bosseleren: gedreven werk maken op metalen als goud, zilver of koper
Deel bosseleren — standaardnederlands.nl