booster
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈbustərBetekenis
- apparaat waarmee een signaal of een geluid sterker wordt gemaakt
- hulpraket die extra stuwkracht geeft
- stoel op onderstel die rijdt op een accu, vooral handig voor mensen die problemen krijgen met lopen
Hoe spreek je booster uit?
/ˈbustər/
Booster bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| u | boek |
| s | sok |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| boosters | meervoud |
| boostertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| boostertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boosteren
- gebiedende wijs van boosteren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boosteren
Vervoeging van booster
boosterhele werkwoord
Herkomst
van Engels booster zn , in de betekenis 'versterker' aangetroffen vanaf 1956 (zie vindplaats hieronder)
Woordfamilie van booster
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| boosters | meervoud | booster |
| boostertje | verkleinwoord | booster |
| boostertjes | verkleinwoord meervoud | booster |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van booster zijn vastgelegd.