boenen
werkwoord /'bunən/Betekenis
- met een boender en water schrobben.
- in de was zetten en glanzend wrijven
Hoe spreek je boenen uit?
/ˈbunən/
Boenen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| u | boek |
| n | nek |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van boenen
boenenhele werkwoord — boendeverleden tijd enkelvoud — boendenverleden tijd meervoud — geboendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | boen | boende |
| jij | boent | boende |
| hij, zij, het | boent | boende |
| wij | boenen | boenden |
| jullie | boenen | boenden |
| zij | boenen | boenden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| boen | gebiedende wijs |
| boende | verleden tijd |
| boene | aanvoegende wijs |
| boenend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geboend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geboend | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geboend | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geboend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geboend worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geboend zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geboend worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geboend zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geboend | verleden tijd, deelwoord |
| geboend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geboend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geboend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geboend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geboend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geboend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geboend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geboend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geboend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geboend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geboend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geboend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geboend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geboend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geboend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geboend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geboend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te boenen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geboend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen boenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal boenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal boenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal boenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geboend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geboend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geboend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou boenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou boenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou boenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geboend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geboend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geboend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden boenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden boenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden boenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geboend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geboend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geboend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt boenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geboend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen boenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen boenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen boenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen boenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geboend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geboend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geboend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult boenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geboend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘in de was zetten, schoonmaken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1286
Woordfamilie van boenen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| boen | gebiedende wijs | boenen |
| boende | verleden tijd | boenen |
| boenden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | boenen |
| boene | aanvoegende wijs | boenen |
| boenend | onvoltooid deelwoord | boenen |
| boenende | woordvorm | boenen |
| boent | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | boenen |
| geboend | voltooid deelwoord | boenen |
| geboende | woordvorm | boenen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van boenen zijn vastgelegd.