boemelen
werkwoordBetekenis
- zijn tijd doorbrengen met uitgaan, brassen, slempen
- met de stoptrein reizen
- met de stoptrein ergens heen reizen
Vervoeging van boemelen
boemelenhele werkwoord — boemeldeverleden tijd enkelvoud — boemeldenverleden tijd meervoud — geboemeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | boemel | boemelde |
| jij | boemelt | boemelde |
| hij, zij, het | boemelt | boemelde |
| wij | boemelen | boemelden |
| jullie | boemelen | boemelden |
| zij | boemelen | boemelden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben geboemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geboemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| boemel | gebiedende wijs |
| boemelde | verleden tijd |
| boemele | aanvoegende wijs |
| boemelend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geboemeld | verleden tijd, deelwoord |
| geboemeld te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geboemeld zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is geboemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geboemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te boemelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn geboemeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen boemelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geboemeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geboemeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geboemeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geboemeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geboemeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geboemeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geboemeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal boemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal boemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal boemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geboemeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geboemeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geboemeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geboemeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn geboemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geboemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geboemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geboemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou boemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou boemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou boemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geboemeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geboemeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geboemeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden boemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden boemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden boemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geboemeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geboemeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geboemeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt boemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geboemeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen boemelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen boemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen boemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen boemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geboemeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geboemeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geboemeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult boemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geboemeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘kroegen aflopen’ voor het eerst aangetroffen in 1894
Woordfamilie van boemelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| boemelde | verleden tijd | boemelen |
| boemelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | boemelen |
| boemele | aanvoegende wijs | boemelen |
| boemelend | onvoltooid deelwoord | boemelen |
| boemelende | woordvorm | boemelen |
| boemelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | boemelen |
| geboemeld | voltooid deelwoord | boemelen |
| geboemelde | woordvorm | boemelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van boemelen zijn vastgelegd.