Naar de inhoud

boemelen

zijn tijd doorbrengen met uitgaan, brassen, slempen

boemelen

werkwoord

Betekenis

  1. zijn tijd doorbrengen met uitgaan, brassen, slempen
  2. met de stoptrein reizen
  3. met de stoptrein ergens heen reizen

Vervoeging van boemelen

boemelenhele werkwoord — boemeldeverleden tijd enkelvoud — boemeldenverleden tijd meervoud — geboemeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik boemel boemelde
jij boemelt boemelde
hij, zij, het boemelt boemelde
wij boemelen boemelden
jullie boemelen boemelden
zij boemelen boemelden
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben geboemeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geboemeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
boemel gebiedende wijs
boemelde verleden tijd
boemele aanvoegende wijs
boemelend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
geboemeld verleden tijd, deelwoord
geboemeld te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geboemeld zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
is geboemeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geboemeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te boemelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn geboemeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen boemelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geboemeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geboemeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geboemeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geboemeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geboemeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geboemeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geboemeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal boemelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal boemelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal boemelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geboemeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geboemeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geboemeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn geboemeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn geboemeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geboemeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geboemeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geboemeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou boemelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou boemelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou boemelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geboemeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geboemeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geboemeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden boemelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden boemelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden boemelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geboemeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geboemeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geboemeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt boemelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geboemeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen boemelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen boemelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen boemelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen boemelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geboemeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geboemeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geboemeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult boemelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geboemeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘kroegen aflopen’ voor het eerst aangetroffen in 1894

Woordfamilie van boemelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
boemelde verleden tijd boemelen
boemelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon boemelen
boemele aanvoegende wijs boemelen
boemelend onvoltooid deelwoord boemelen
boemelende woordvorm boemelen
boemelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon boemelen
geboemeld voltooid deelwoord boemelen
geboemelde woordvorm boemelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van boemelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over boemelen

Wat is de betekenis van boemelen?
Boemelen is een werkwoord. De betekenis is: zijn tijd doorbrengen met uitgaan, brassen, slempen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik boemelen?
Zo vervoeg je boemelen zo: de tegenwoordige tijd is boemel, de verleden tijd is boemelde en het voltooid deelwoord is geboemeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord boemelen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. O 1
  3. E 1
  4. M 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

boemelen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. O 1
  3. E 1
  4. M 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

boemelen in het kort

boemelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van boemelen staan er 33 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort boemelen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

boemelen: zijn tijd doorbrengen met uitgaan, brassen, slempen
Deel boemelen — standaardnederlands.nl