boeleren
werkwoordBetekenis
- seksueel onethisch gedrag vertonen; in overspel leven
Vervoeging van boeleren
boelerenhele werkwoord — boeleerdeverleden tijd enkelvoud — boeleerdenverleden tijd meervoud — geboeleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | boeleer | boeleerde |
| jij | boeleert | boeleerde |
| hij, zij, het | boeleert | boeleerde |
| wij | boeleren | boeleerden |
| jullie | boeleren | boeleerden |
| zij | boeleren | boeleerden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| boeleer | gebiedende wijs |
| boeleerde | verleden tijd |
| boelen | |
| boelere | aanvoegende wijs |
| boelerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geboeleerd | verleden tijd, deelwoord |
| geboeleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geboeleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geboeleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geboeleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geboeleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geboeleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geboeleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geboeleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geboeleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geboeleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geboeleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geboeleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geboeleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geboeleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geboeleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geboeleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geboeleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te boeleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geboeleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen boeleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal boeleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal boeleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal boeleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geboeleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geboeleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geboeleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou boeleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou boeleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou boeleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geboeleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geboeleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geboeleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden boeleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden boeleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden boeleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geboeleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geboeleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geboeleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt boeleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geboeleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen boeleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen boeleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen boeleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen boeleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geboeleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geboeleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geboeleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult boeleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geboeleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid uit Middelnederlands boel “mannelijke verwant” (1423), “geliefde” (1450-1500), vroeg-Nieuwnederlands boel “een mans hoere ofte bysit” (1642) met het achtervoegsel -eren.
Woordfamilie van boeleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| boeleer | gebiedende wijs | boeleren |
| boeleerde | verleden tijd | boeleren |
| boeleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | boeleren |
| boeleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | boeleren |
| boelere | aanvoegende wijs | boeleren |
| boelerend | onvoltooid deelwoord | boeleren |
| boelerende | woordvorm | boeleren |
| geboeleerd | voltooid deelwoord | boeleren |
| geboeleerde | woordvorm | boeleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van boeleren zijn vastgelegd.