Naar de inhoud

boeleren

seksueel onethisch gedrag vertonen; in overspel leven

boeleren

werkwoord

Betekenis

  1. seksueel onethisch gedrag vertonen; in overspel leven

Vervoeging van boeleren

boelerenhele werkwoord — boeleerdeverleden tijd enkelvoud — boeleerdenverleden tijd meervoud — geboeleerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik boeleer boeleerde
jij boeleert boeleerde
hij, zij, het boeleert boeleerde
wij boeleren boeleerden
jullie boeleren boeleerden
zij boeleren boeleerden
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
boeleer gebiedende wijs
boeleerde verleden tijd
boelen
boelere aanvoegende wijs
boelerend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
geboeleerd verleden tijd, deelwoord
geboeleerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geboeleerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geboeleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geboeleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geboeleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geboeleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geboeleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geboeleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geboeleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geboeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geboeleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geboeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geboeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geboeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geboeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geboeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geboeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te boeleren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geboeleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen boeleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal boeleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal boeleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal boeleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geboeleerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geboeleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geboeleerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou boeleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou boeleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou boeleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geboeleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geboeleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geboeleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden boeleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden boeleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden boeleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geboeleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geboeleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geboeleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt boeleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geboeleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen boeleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen boeleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen boeleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen boeleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geboeleerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geboeleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geboeleerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult boeleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geboeleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Afgeleid uit Middelnederlands boel “mannelijke verwant” (1423), “geliefde” (1450-1500), vroeg-Nieuwnederlands boel “een mans hoere ofte bysit” (1642) met het achtervoegsel -eren.

Woordfamilie van boeleren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
boeleer gebiedende wijs boeleren
boeleerde verleden tijd boeleren
boeleerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon boeleren
boeleert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon boeleren
boelere aanvoegende wijs boeleren
boelerend onvoltooid deelwoord boeleren
boelerende woordvorm boeleren
geboeleerd voltooid deelwoord boeleren
geboeleerde woordvorm boeleren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van boeleren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over boeleren

Wat is de betekenis van boeleren?
Boeleren is een werkwoord. De betekenis is: seksueel onethisch gedrag vertonen; in overspel leven.
Hoe vervoeg ik boeleren?
Zo vervoeg je boeleren zo: de tegenwoordige tijd is boeleer, de verleden tijd is boeleerde en het voltooid deelwoord is geboeleerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord boeleren is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. O 1
  3. E 1
  4. L 3
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

boeleren levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. O 1
  3. E 1
  4. L 3
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

boeleren in het kort

boeleren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van boeleren staan er 33 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort boeleren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

boeleren: seksueel onethisch gedrag vertonen; in overspel leven
Deel boeleren — standaardnederlands.nl