Naar de inhoud

boekhouden

het systematisch vastleggen van financiële feiten van een persoon, een bedrijf of een (overheids)instelling

boekhouden

werkwoord

Betekenis

  1. het systematisch vastleggen van financiële feiten van een persoon, een bedrijf of een (overheids)instelling

Vervoeging van boekhouden

boekhoudenhele werkwoord — hield boekverleden tijd enkelvoud — hielden boekverleden tijd meervoud — boekgehoudenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hou boek hield boek
jij houdt boek hield boek
hij, zij, het houdt boek hield boek
wij houden boek hielden boek
jullie houden boek hielden boek
zij houden boek hielden boek
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
boek te houden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
boek te zullen houden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
boek zal houden bijzin, toekomende tijd
boek zou houden bijzin, voorwaardelijk
boek zouden houden bijzin, voorwaardelijk
boek zoudt houden bijzin, voorwaardelijk
boek zullen houden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
boek zullen houden bijzin, toekomende tijd
boek zult houden bijzin, toekomende tijd
boekgehouden verleden tijd, deelwoord
boekgehouden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
boekgehouden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
boekhield bijzin, verleden tijd
boekhielden bijzin, verleden tijd
boekhou bijzin, tegenwoordige tijd
boekhoud bijzin, tegenwoordige tijd
boekhoudend onvoltooid, deelwoord
boekhoudt bijzin, tegenwoordige tijd
ev. hou boek/ houd boek gebiedende wijs
had boekgehouden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had boekgehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had boekgehouden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden boekgehouden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden boekgehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden boekgehouden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt boekgehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb boekgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben boekgehouden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben boekgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben boekgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben boekgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt boekgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft boekgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft boekgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hield boek verleden tijd
te hebben boekgehouden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen boekhouden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal boekgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal boekgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal boekgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal boekhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal boekhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal boekhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal boekhouden bijzin, toekomende tijd
zou boekgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou boekgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou boekgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou boekhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou boekhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou boekhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou boekhouden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) boekhouden boek zou(dt) houden bijzin, voorwaardelijk
zouden boekgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden boekgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden boekgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden boekhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden boekhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden boekhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden boekhouden bijzin, voorwaardelijk
zoudt boekgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt boekhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt boekhouden bijzin, voorwaardelijk
zullen boekgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen boekgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen boekgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen boekhouden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen boekhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen boekhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen boekhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen boekhouden bijzin, toekomende tijd
zult boekgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult boekhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult boekhouden bijzin, toekomende tijd
zult/zal boekhouden boek zult/zal houden bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van boek en houden

Woordfamilie van boekhouden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
boekgehouden voltooid deelwoord boekhouden
boekhield subordinate-clause, verleden tijd boekhouden
boekhielden subordinate-clause, verleden tijd boekhouden
boekhou subordinate-clause, tegenwoordige tijd boekhouden
boekhoud subordinate-clause, tegenwoordige tijd boekhouden
boekhoude with-subordinate-clause boekhouden
boekhoudend onvoltooid deelwoord boekhouden
boekhoudende woordvorm boekhouden
boekhoudt subordinate-clause, tegenwoordige tijd boekhouden
hield boek verleden tijd boekhouden
hielden boek aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon boekhouden
hou boek aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon boekhouden
houd boek aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon boekhouden
houde boek woordvorm boekhouden
houden boek aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon boekhouden
houdt boek aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon boekhouden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van boekhouden zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over boekhouden

Wat is de betekenis van boekhouden?
Boekhouden is een werkwoord. De betekenis is: het systematisch vastleggen van financiële feiten van een persoon, een bedrijf of een (overheids)instelling.
Hoe vervoeg ik boekhouden?
Zo vervoeg je boekhouden zo: het voltooid deelwoord is boekgehouden. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord boekhouden is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. O 1
  3. E 1
  4. K 3
  5. H 4
  6. O 1
  7. U 4
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

boekhouden levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. O 1
  3. E 1
  4. K 3
  5. H 4
  6. O 1
  7. U 2
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

boekhouden in het kort

boekhouden staat in dit woordenboek als werkwoord. Van boekhouden staan er 47 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort boekhouden bij een woordfamilie van 16 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

boekhouden: het systematisch vastleggen van financiële feiten van een persoon, een bedrijf of een (overheids)instelling
Deel boekhouden — standaardnederlands.nl