board
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- plaatmateriaal gemaarkt van kleine stukjes hout
- op een surfplank gelijkend voorwerp
- paneel
- bestuur (management-newspeak)
- plank
- boord van een schip
- raad, college
- bord
zelfstandig naamwoord — neuter
- plaatmateriaal gemaakt van kleine stukjes hout
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| boardje | verkleinwoord, enkelvoud |
| boardjes | verkleinwoord, meervoud |
| boards | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boarden
- gebiedende wijs van boarden
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boarden
Vervoeging van board
boardhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘bestuurslichaam’ voor het eerst aangetroffen in 1886. Doublet met bord zn
Woordfamilie van board
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| boardje | verkleinwoord | board |
| boardjes | verkleinwoord meervoud | board |
| boards | meervoud | board |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van board zijn vastgelegd.