blubber
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- onderhuids vet van een walvis.
- zeer natte aarde, modder
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| blubbertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| blubbertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blubberen
- gebiedende wijs van blubberen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blubberen
Vervoeging van blubber
blubberhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘modder’ voor het eerst aangetroffen in 1937
Woordfamilie van blubber
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blubbertje | verkleinwoord | blubber |
| blubbertjes | verkleinwoord meervoud | blubber |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blubber zijn vastgelegd.