blow
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- trekje aan een joint
- een joint
- slag, klap
- blazen
- ontploffen
- pijpen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| blows | meervoud |
| blowtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| blowtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blowen
- gebiedende wijs van blowen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blowen
Vervoeging van blow
blowhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels. In de betekenis van ‘trek aan marihuanasigaret’ voor het eerst aangetroffen in 1984
Woordfamilie van blow
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blows | meervoud | blow |
| blowtje | verkleinwoord | blow |
| blowtjes | verkleinwoord meervoud | blow |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blow zijn vastgelegd.