blootstellen
werkwoord ˈblotstɛlə(n)Betekenis
- ~ aan in aanraking doen komen met een besmetting of straling
- zich ~ zichtbaar maken, kwetsbaar opstellen
Hoe spreek je blootstellen uit?
/ˈblotstɛlən/
Blootstellen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| l | land |
| o | boot |
| t | tak |
| s | sok |
| ɛ | bed |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van blootstellen
blootstellenhele werkwoord — stelde blootverleden tijd enkelvoud — stelden blootverleden tijd meervoud — blootgesteldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stel bloot | stelde bloot |
| jij | stelt bloot | stelde bloot |
| hij, zij, het | stelt bloot | stelde bloot |
| wij | stellen bloot | stelden bloot |
| jullie | stellen bloot | stelden bloot |
| zij | stellen bloot | stelden bloot |
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben blootgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent blootgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bloot te stellen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bloot te zullen stellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bloot zal stellen | bijzin, toekomende tijd |
| bloot zou stellen | bijzin, voorwaardelijk |
| bloot zouden stellen | bijzin, voorwaardelijk |
| bloot zoudt stellen | bijzin, voorwaardelijk |
| bloot zullen stellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bloot zullen stellen | bijzin, toekomende tijd |
| bloot zult stellen | bijzin, toekomende tijd |
| blootgesteld | verleden tijd, deelwoord |
| blootgesteld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| blootgesteld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| blootgesteld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| blootgesteld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| blootgesteld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| blootgesteld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| blootgesteld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| blootgesteld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| blootgesteld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| blootgesteld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| blootstel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| blootstelde | bijzin, verleden tijd |
| blootstelden | bijzin, verleden tijd |
| blootstellend | onvoltooid, deelwoord |
| blootstelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| er is blootgesteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was blootgesteld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd blootgesteld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt blootgesteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal blootgesteld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal blootgesteld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou blootgesteld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou blootgesteld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had blootgesteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had blootgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had blootgesteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden blootgesteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden blootgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden blootgesteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt blootgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb blootgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben blootgesteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben blootgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben blootgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben blootgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt blootgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft blootgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft blootgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is blootgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is blootgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stel bloot | gebiedende wijs |
| stel u/je bloot, stelt je bloot | gebiedende wijs |
| stelde bloot | verleden tijd |
| te hebben blootgesteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen blootstellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart blootgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren blootgesteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren blootgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren blootgesteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was blootgesteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was blootgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was blootgesteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd blootgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd blootgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd blootgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden blootgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden blootgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden blootgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt blootgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word blootgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden blootgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden blootgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden blootgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt blootgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt blootgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal blootgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal blootgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal blootgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal blootgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal blootgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal blootgesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal blootgesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal blootstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal blootstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal blootstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal blootstellen | bijzin, toekomende tijd |
| zal me blootstellen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich blootstellen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je blootstellen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich blootgesteld hebben | verleden tijd |
| zich blootstellend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn blootgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn blootgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn blootgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt blootgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou blootgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou blootgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou blootgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou blootgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou blootgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou blootgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou blootgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou blootgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou blootgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou blootstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou blootstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou blootstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou blootstellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) blootstellen bloot zou(dt) stellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden blootgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden blootgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden blootgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden blootgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden blootgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden blootgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden blootgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden blootgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden blootgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden blootstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden blootstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden blootstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden blootstellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt blootgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt blootgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt blootgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt blootstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt blootstellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen blootgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen blootgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen blootgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen blootgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen blootgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen blootgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen blootgesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen blootgesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen blootgesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van bloot en stellen
Woordfamilie van blootstellen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blootgesteld | voltooid deelwoord | blootstellen |
| blootgestelde | woordvorm | blootstellen |
| blootstel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | blootstellen |
| blootstelde | subordinate-clause, verleden tijd | blootstellen |
| blootstelden | subordinate-clause, verleden tijd | blootstellen |
| blootstelle | with-subordinate-clause | blootstellen |
| blootstellend | onvoltooid deelwoord | blootstellen |
| blootstellende | woordvorm | blootstellen |
| blootstelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | blootstellen |
| stel bloot | gebiedende wijs | blootstellen |
| stelde bloot | verleden tijd | blootstellen |
| stelden bloot | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | blootstellen |
| stelle bloot | woordvorm | blootstellen |
| stellen bloot | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | blootstellen |
| stelt bloot | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | blootstellen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blootstellen zijn vastgelegd.