bloes
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- kledingstuk voor het bovenlichaam met knoopjes aan de voorzijde
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bloesje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bloesjes | verkleinwoord, meervoud |
| bloezen | meervoud |
| blouse |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bloezen
- gebiedende wijs van bloezen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bloezen
Vervoeging van bloes
bloeshele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bovenkledingstuk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1872
Woordfamilie van bloes
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bloesje | verkleinwoord | bloes |
| bloesjes | verkleinwoord meervoud | bloes |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bloes zijn vastgelegd.