blikkeren
werkwoordBetekenis
- flikkeren, licht van snel afwisselende sterkte afgeven
Vervoeging van blikkeren
blikkerenhele werkwoord — blikkerdeverleden tijd enkelvoud — blikkerdenverleden tijd meervoud — geblikkerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | blikker | blikkerde |
| jij | blikkert | blikkerde |
| hij, zij, het | blikkert | blikkerde |
| wij | blikkeren | blikkerden |
| jullie | blikkeren | blikkerden |
| zij | blikkeren | blikkerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| blikker | gebiedende wijs |
| blikkerde | verleden tijd |
| blikkere | aanvoegende wijs |
| blikkerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geblikkerd | verleden tijd, deelwoord |
| geblikkerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geblikkerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geblikkerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geblikkerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geblikkerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geblikkerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geblikkerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geblikkerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geblikkerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geblikkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geblikkerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geblikkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geblikkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geblikkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geblikkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geblikkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geblikkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te blikkeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geblikkerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen blikkeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal blikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal blikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal blikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geblikkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geblikkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geblikkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou blikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou blikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou blikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geblikkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geblikkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geblikkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden blikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden blikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden blikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geblikkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geblikkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geblikkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt blikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geblikkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen blikkeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen blikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen blikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen blikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geblikkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geblikkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geblikkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult blikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geblikkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘flikkeren’ voor het eerst aangetroffen in 1605
Woordfamilie van blikkeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blikker | gebiedende wijs | blikkeren |
| blikkerde | verleden tijd | blikkeren |
| blikkerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | blikkeren |
| blikkere | aanvoegende wijs | blikkeren |
| blikkert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | blikkeren |
| geblikkerd | voltooid deelwoord | blikkeren |
| geblikkerde | woordvorm | blikkeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blikkeren zijn vastgelegd.