blijven
werkwoord /blɛ.və(n)/Betekenis
- ~ + predikaat niet veranderen, voortduren
- ~ + onbepaalde wijs niet veranderen, voortduren, doorgaan
- ergens vertoeven en er niet weggaan
- blijven bij: niet van mening veranderen (niet verwarren met bijblijven)
Hoe spreek je blijven uit?
/blɛvən/
Blijven bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| l | land |
| ɛ | bed |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
Vervoeging van blijven
blijvenhele werkwoord — bleefverleden tijd enkelvoud — blevenverleden tijd meervoud — geblevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | blijf | bleef |
| jij | blijft | bleef |
| hij, zij, het | blijft | bleef |
| wij | blijven | bleven |
| jullie | blijven | bleven |
| zij | blijven | bleven |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bleef | verleden tijd |
| blijf | gebiedende wijs |
| blijve | aanvoegende wijs |
| blijvend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebleven | verleden tijd, deelwoord |
| gebleven te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebleven zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te blijven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gebleven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen blijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gebleven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebleven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gebleven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebleven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gebleven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gebleven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gebleven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal blijven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal blijven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal blijven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gebleven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou blijven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou blijven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou blijven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden blijven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden blijven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden blijven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt blijven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen blijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen blijven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen blijven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen blijven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult blijven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘voortgaan (te bestaan)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901.
Woordfamilie van blijven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bleef | verleden tijd | blijven |
| bleeft | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | blijven |
| bleven | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | blijven |
| blijft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | blijven |
| blijve | aanvoegende wijs | blijven |
| gebleven | voltooid deelwoord | blijven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blijven zijn vastgelegd.