bleken
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- witter of lichter doen worden
Vervoeging van bleken
blekenhele werkwoord — bleekteverleden tijd enkelvoud — bleektenverleden tijd meervoud — gebleektvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bleek | bleekte |
| jij | bleekt | bleekte |
| hij, zij, het | bleekt | bleekte |
| wij | bleken | bleekten |
| jullie | bleken | bleekten |
| zij | bleken | bleekten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bleek | gebiedende wijs |
| bleekte | verleden tijd |
| bleke | aanvoegende wijs |
| blekend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebleekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebleekt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebleekt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebleekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebleekt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebleekt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebleekt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebleekt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebleekt | verleden tijd, deelwoord |
| gebleekt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebleekt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebleekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebleekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebleekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebleekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebleekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebleekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebleekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebleekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebleekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebleekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebleekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebleekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebleekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebleekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebleekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bleken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebleekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bleken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bleken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bleken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bleken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebleekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebleekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebleekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bleken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bleken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bleken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebleekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebleekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebleekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bleken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bleken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bleken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebleekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebleekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebleekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bleken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebleekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bleken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bleken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bleken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bleken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebleekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebleekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebleekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bleken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebleekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van blijken
Vervoeging van bleken
blekenhele werkwoord — bleekteverleden tijd enkelvoud — bleektenverleden tijd meervoud — gebleektvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bleek | bleekte |
| jij | bleekt | bleekte |
| hij, zij, het | bleekt | bleekte |
| wij | bleken | bleekten |
| jullie | bleken | bleekten |
| zij | bleken | bleekten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bleek | gebiedende wijs |
| bleekte | verleden tijd |
| bleke | aanvoegende wijs |
| blekend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebleekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebleekt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebleekt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebleekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebleekt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebleekt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebleekt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebleekt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebleekt | verleden tijd, deelwoord |
| gebleekt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebleekt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebleekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebleekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebleekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebleekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebleekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebleekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebleekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebleekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebleekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebleekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebleekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebleekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebleekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebleekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebleekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bleken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebleekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bleken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bleken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bleken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bleken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebleekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebleekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebleekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bleken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bleken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bleken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebleekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebleekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebleekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bleken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bleken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bleken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebleekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebleekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebleekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bleken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebleekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bleken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bleken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bleken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bleken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebleekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebleekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebleekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bleken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebleekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord bleek
Herkomst
In de betekenis van ‘bleek maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van bleken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bleekt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bleken |
| bleekte | verleden tijd | bleken |
| bleekten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bleken |
| blekend | onvoltooid deelwoord | bleken |
| blekende | woordvorm | bleken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bleken zijn vastgelegd.