blaken
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- - hitte uitstralen, schijnen, branden
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van blaken
blakenhele werkwoord — blaakteverleden tijd enkelvoud — blaaktenverleden tijd meervoud — geblaaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | blaak | blaakte |
| jij | blaakt | blaakte |
| hij, zij, het | blaakt | blaakte |
| wij | blaken | blaakten |
| jullie | blaken | blaakten |
| zij | blaken | blaakten |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| blaak | gebiedende wijs |
| blaakte | verleden tijd |
| blake | aanvoegende wijs |
| blakend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geblaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geblaakt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geblaakt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geblaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geblaakt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geblaakt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geblaakt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geblaakt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geblaakt | verleden tijd, deelwoord |
| geblaakt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geblaakt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geblaakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geblaakt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geblaakt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geblaakt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geblaakt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geblaakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geblaakt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geblaakt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geblaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geblaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geblaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geblaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geblaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geblaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geblaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geblaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geblaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geblaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geblaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geblaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geblaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geblaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geblaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geblaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te blaken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geblaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen blaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren geblaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geblaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geblaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden geblaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden geblaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geblaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal blaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal blaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal blaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geblaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geblaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geblaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geblaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geblaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geblaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou blaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou blaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou blaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geblaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geblaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geblaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geblaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geblaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden blaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden blaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden blaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geblaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geblaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geblaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geblaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geblaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt blaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geblaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen blaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen blaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen blaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen blaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geblaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geblaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geblaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geblaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geblaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult blaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geblaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord blaak
Herkomst
In de betekenis van ‘branden, gloeien’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van blaken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blaakt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | blaken |
| blaakte | verleden tijd | blaken |
| blaakten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | blaken |
| blake | aanvoegende wijs | blaken |
| geblaakt | voltooid deelwoord | blaken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blaken zijn vastgelegd.