bitteren
werkwoordBetekenis
- een bittertje nuttigen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van bitteren
bitterenhele werkwoord — bitterdeverleden tijd enkelvoud — bitterdenverleden tijd meervoud — gebitterdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bitter | bitterde |
| jij | bittert | bitterde |
| hij, zij, het | bittert | bitterde |
| wij | bitteren | bitterden |
| jullie | bitteren | bitterden |
| zij | bitteren | bitterden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bitter | gebiedende wijs |
| bitterde | verleden tijd |
| bittere | aanvoegende wijs |
| bitterend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebitterd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebitterd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebitterd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebitterd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebitterd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebitterd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebitterd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebitterd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebitterd | verleden tijd, deelwoord |
| gebitterd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebitterd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebitterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebitterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebitterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebitterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebitterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebitterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebitterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebitterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebitterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebitterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebitterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebitterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebitterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebitterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebitterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bitteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebitterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bitteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bitteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bitteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bitteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebitterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebitterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebitterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bitteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bitteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bitteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebitterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebitterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebitterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bitteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bitteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bitteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebitterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebitterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebitterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bitteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebitterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bitteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bitteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bitteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bitteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebitterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebitterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebitterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bitteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebitterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van bitter met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van bitteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bitterde | verleden tijd | bitteren |
| bitterden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bitteren |
| bitterend | onvoltooid deelwoord | bitteren |
| bitterende | woordvorm | bitteren |
| bittert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bitteren |
| gebitterd | voltooid deelwoord | bitteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bitteren zijn vastgelegd.