bisseren
werkwoordBetekenis
- herhaling verzoeken door het publiek, bis roepen
Vervoeging van bisseren
bisserenhele werkwoord — bisseerdeverleden tijd enkelvoud — bisseerdenverleden tijd meervoud — gebisseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bisseer | bisseerde |
| jij | bisseert | bisseerde |
| hij, zij, het | bisseert | bisseerde |
| wij | bisseren | bisseerden |
| jullie | bisseren | bisseerden |
| zij | bisseren | bisseerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bisseer | gebiedende wijs |
| bisseerde | verleden tijd |
| bissere | aanvoegende wijs |
| bisserend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebisseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebisseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebisseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebisseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebisseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebisseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebisseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebisseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebisseerd | verleden tijd, deelwoord |
| gebisseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebisseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebisseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebisseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebisseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebisseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebisseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebisseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebisseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebisseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebisseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebisseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebisseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebisseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebisseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebisseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebisseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bisseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebisseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bisseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bisseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bisseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bisseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebisseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebisseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebisseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bisseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bisseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bisseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebisseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebisseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebisseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bisseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bisseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bisseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebisseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebisseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebisseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bisseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebisseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bisseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bisseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bisseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bisseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebisseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebisseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebisseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bisseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebisseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse bisser (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van bisseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bisseer | gebiedende wijs | bisseren |
| bisseerde | verleden tijd | bisseren |
| bisseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bisseren |
| bisseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bisseren |
| bissere | aanvoegende wijs | bisseren |
| bisserend | onvoltooid deelwoord | bisseren |
| bisserende | woordvorm | bisseren |
| gebisseerd | voltooid deelwoord | bisseren |
| gebisseerde | woordvorm | bisseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bisseren zijn vastgelegd.