binnenvallen
werkwoordBetekenis
- zonder uitnodiging ergens naar binnen gaan
- een invasie plegen
Vervoeging van binnenvallen
binnenvallenhele werkwoord — viel binnenverleden tijd enkelvoud — vielen binnenverleden tijd meervoud — binnengevallenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | val binnen | viel binnen |
| jij | valt binnen | viel binnen |
| hij, zij, het | valt binnen | viel binnen |
| wij | vallen binnen | vielen binnen |
| jullie | vallen binnen | vielen binnen |
| zij | vallen binnen | vielen binnen |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben binnengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent binnengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| binnen te vallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| binnen te zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| binnen zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
| binnen zou vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| binnen zouden vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| binnen zoudt vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| binnen zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| binnen zullen vallen | bijzin, toekomende tijd |
| binnen zult vallen | bijzin, toekomende tijd |
| binnengevallen | verleden tijd, deelwoord |
| binnengevallen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| binnengevallen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| binnenval | bijzin, tegenwoordige tijd |
| binnenvallend | onvoltooid, deelwoord |
| binnenvalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| binnenviel | bijzin, verleden tijd |
| binnenvielen | bijzin, verleden tijd |
| binnenvielt | bijzin, verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| is binnengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is binnengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn binnengevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen binnenvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| val binnen | gebiedende wijs |
| viel binnen | verleden tijd |
| waart binnengevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren binnengevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren binnengevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren binnengevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was binnengevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was binnengevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was binnengevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal binnengevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal binnengevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal binnengevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal binnenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal binnenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal binnenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal binnenvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn binnengevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn binnengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn binnengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn binnengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt binnengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou binnengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou binnengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou binnengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou binnenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou binnenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou binnenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou binnenvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) binnenvallen binnen zou(dt) vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden binnengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden binnengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden binnengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden binnenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden binnenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden binnenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden binnenvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt binnengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt binnenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt binnenvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen binnengevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen binnengevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen binnengevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen binnenvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen binnenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen binnenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen binnenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen binnenvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult binnengevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult binnenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult binnenvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal binnenvallen binnen zult/zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van binnen en vallen
Woordfamilie van binnenvallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| binnengevallen | voltooid deelwoord | binnenvallen |
| binnenval | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | binnenvallen |
| binnenvalle | with-subordinate-clause | binnenvallen |
| binnenvallend | onvoltooid deelwoord | binnenvallen |
| binnenvallende | woordvorm | binnenvallen |
| binnenvalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | binnenvallen |
| binnenviel | subordinate-clause, verleden tijd | binnenvallen |
| binnenvielen | subordinate-clause, verleden tijd | binnenvallen |
| val binnen | gebiedende wijs | binnenvallen |
| valle binnen | woordvorm | binnenvallen |
| vallen binnen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | binnenvallen |
| valt binnen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | binnenvallen |
| viel binnen | verleden tijd | binnenvallen |
| vielen binnen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | binnenvallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van binnenvallen zijn vastgelegd.