binnenstormen
werkwoordBetekenis
- Met veel lawaai, geweld en haast ergens binnenkomen.
Vervoeging van binnenstormen
binnenstormenhele werkwoord — stormde binnenverleden tijd enkelvoud — stormden binnenverleden tijd meervoud — binnengestormdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | storm binnen | stormde binnen |
| jij | stormt binnen | stormde binnen |
| hij, zij, het | stormt binnen | stormde binnen |
| wij | stormen binnen | stormden binnen |
| jullie | stormen binnen | stormden binnen |
| zij | stormen binnen | stormden binnen |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben binnengestormd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent binnengestormd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| binnen te stormen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| binnen te zullen stormen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| binnen zal stormen | bijzin, toekomende tijd |
| binnen zou stormen | bijzin, voorwaardelijk |
| binnen zouden stormen | bijzin, voorwaardelijk |
| binnen zoudt stormen | bijzin, voorwaardelijk |
| binnen zullen stormen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| binnen zullen stormen | bijzin, toekomende tijd |
| binnen zult stormen | bijzin, toekomende tijd |
| binnengestormd | verleden tijd, deelwoord |
| binnengestormd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| binnengestormd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| binnenstorm | bijzin, tegenwoordige tijd |
| binnenstormde | bijzin, verleden tijd |
| binnenstormden | bijzin, verleden tijd |
| binnenstormend | onvoltooid, deelwoord |
| binnenstormt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| is binnengestormd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is binnengestormd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| storm binnen | gebiedende wijs |
| stormde binnen | verleden tijd |
| te zijn binnengestormd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen binnenstormen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart binnengestormd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren binnengestormd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren binnengestormd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren binnengestormd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was binnengestormd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was binnengestormd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was binnengestormd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal binnengestormd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal binnengestormd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal binnengestormd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal binnenstormen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal binnenstormen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal binnenstormen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal binnenstormen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn binnengestormd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn binnengestormd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn binnengestormd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn binnengestormd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt binnengestormd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou binnengestormd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou binnengestormd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou binnengestormd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou binnenstormen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou binnenstormen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou binnenstormen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou binnenstormen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) binnenstormen binnen zou(dt) stormen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden binnengestormd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden binnengestormd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden binnengestormd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden binnenstormen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden binnenstormen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden binnenstormen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden binnenstormen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt binnengestormd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt binnenstormen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt binnenstormen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen binnengestormd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen binnengestormd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen binnengestormd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen binnenstormen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen binnenstormen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen binnenstormen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen binnenstormen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen binnenstormen | bijzin, toekomende tijd |
| zult binnengestormd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult binnenstormen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult binnenstormen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal binnenstormen binnen zult/zal stormen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van binnen en stormen
Woordfamilie van binnenstormen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| binnengestormd | voltooid deelwoord | binnenstormen |
| binnengestormde | woordvorm | binnenstormen |
| binnenstorm | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | binnenstormen |
| binnenstormde | subordinate-clause, verleden tijd | binnenstormen |
| binnenstormden | subordinate-clause, verleden tijd | binnenstormen |
| binnenstorme | with-subordinate-clause | binnenstormen |
| binnenstormend | onvoltooid deelwoord | binnenstormen |
| binnenstormende | woordvorm | binnenstormen |
| binnenstormt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | binnenstormen |
| storm binnen | gebiedende wijs | binnenstormen |
| stormde binnen | verleden tijd | binnenstormen |
| stormden binnen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | binnenstormen |
| storme binnen | woordvorm | binnenstormen |
| stormen binnen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | binnenstormen |
| stormt binnen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | binnenstormen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van binnenstormen zijn vastgelegd.