binnenschieten
werkwoordBetekenis
- (de bal) in het doel schieten
werkwoord
- in het doel schieten transitive
Vervoeging van binnenschieten
binnenschietenhele werkwoord — schoot binnenverleden tijd enkelvoud — schoten binnenverleden tijd meervoud — binnengeschotenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schiet binnen | schoot binnen |
| jij | schiet binnen | schoot binnen |
| hij, zij, het | schiet binnen | schoot binnen |
| wij | schieten binnen | schoten binnen |
| jullie | schieten binnen | schoten binnen |
| zij | schieten binnen | schoten binnen |
Alle 81 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| binnen te schieten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| binnen te zullen schieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| binnen zal schieten | bijzin, toekomende tijd |
| binnen zou schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| binnen zouden schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| binnen zoudt schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| binnen zullen schieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| binnen zullen schieten | bijzin, toekomende tijd |
| binnen zult schieten | bijzin, toekomende tijd |
| binnengeschoten | verleden tijd, deelwoord |
| binnengeschoten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| binnengeschoten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| binnenschiet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| binnenschietend | onvoltooid, deelwoord |
| binnenschoot | bijzin, verleden tijd |
| binnenschoten | bijzin, verleden tijd |
| er is binnengeschoten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was binnengeschoten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd binnengeschoten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt binnengeschoten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal binnengeschoten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal binnengeschoten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou binnengeschoten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou binnengeschoten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had binnengeschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had binnengeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had binnengeschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden binnengeschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden binnengeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden binnengeschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt binnengeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb binnengeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben binnengeschoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben binnengeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben binnengeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben binnengeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt binnengeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft binnengeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft binnengeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schiet binnen | gebiedende wijs |
| schoot binnen | verleden tijd |
| te hebben binnengeschoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen binnenschieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal binnengeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal binnengeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal binnengeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal binnenschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal binnenschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal binnenschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal binnenschieten | bijzin, toekomende tijd |
| zou binnengeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou binnengeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou binnengeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou binnenschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou binnenschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou binnenschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou binnenschieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) binnenschieten binnen zou(dt) schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden binnengeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden binnengeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden binnengeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden binnenschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden binnenschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden binnenschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden binnenschieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt binnengeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt binnenschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt binnenschieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen binnengeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen binnengeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen binnengeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen binnenschieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen binnenschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen binnenschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen binnenschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen binnenschieten | bijzin, toekomende tijd |
| zult binnengeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult binnenschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult binnenschieten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal binnenschieten binnen zult/zal schieten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van binnen en schieten
Woordfamilie van binnenschieten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| binnengeschoten | voltooid deelwoord | binnenschieten |
| binnenschiet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | binnenschieten |
| binnenschiete | with-subordinate-clause | binnenschieten |
| binnenschietend | onvoltooid deelwoord | binnenschieten |
| binnenschietende | woordvorm | binnenschieten |
| binnenschoot | subordinate-clause, verleden tijd | binnenschieten |
| binnenschoten | subordinate-clause, verleden tijd | binnenschieten |
| schiet binnen | gebiedende wijs | binnenschieten |
| schiete binnen | woordvorm | binnenschieten |
| schieten binnen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | binnenschieten |
| schoot binnen | verleden tijd | binnenschieten |
| schoten binnen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | binnenschieten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van binnenschieten zijn vastgelegd.