Naar de inhoud

binnenschieten

(de bal) in het doel schieten

binnenschieten

werkwoord

Betekenis

  1. (de bal) in het doel schieten

werkwoord

  1. in het doel schieten transitive

Vervoeging van binnenschieten

binnenschietenhele werkwoord — schoot binnenverleden tijd enkelvoud — schoten binnenverleden tijd meervoud — binnengeschotenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schiet binnen schoot binnen
jij schiet binnen schoot binnen
hij, zij, het schiet binnen schoot binnen
wij schieten binnen schoten binnen
jullie schieten binnen schoten binnen
zij schieten binnen schoten binnen
Alle 81 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
binnen te schieten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
binnen te zullen schieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
binnen zal schieten bijzin, toekomende tijd
binnen zou schieten bijzin, voorwaardelijk
binnen zouden schieten bijzin, voorwaardelijk
binnen zoudt schieten bijzin, voorwaardelijk
binnen zullen schieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
binnen zullen schieten bijzin, toekomende tijd
binnen zult schieten bijzin, toekomende tijd
binnengeschoten verleden tijd, deelwoord
binnengeschoten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
binnengeschoten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
binnenschiet bijzin, tegenwoordige tijd
binnenschietend onvoltooid, deelwoord
binnenschoot bijzin, verleden tijd
binnenschoten bijzin, verleden tijd
er is binnengeschoten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was binnengeschoten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd binnengeschoten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt binnengeschoten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal binnengeschoten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal binnengeschoten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou binnengeschoten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou binnengeschoten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had binnengeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had binnengeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had binnengeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden binnengeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden binnengeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden binnengeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt binnengeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb binnengeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben binnengeschoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben binnengeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben binnengeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben binnengeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt binnengeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft binnengeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft binnengeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schiet binnen gebiedende wijs
schoot binnen verleden tijd
te hebben binnengeschoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen binnenschieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal binnengeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal binnengeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal binnengeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal binnenschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal binnenschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal binnenschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal binnenschieten bijzin, toekomende tijd
zou binnengeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou binnengeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou binnengeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou binnenschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou binnenschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou binnenschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou binnenschieten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) binnenschieten binnen zou(dt) schieten bijzin, voorwaardelijk
zouden binnengeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden binnengeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden binnengeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden binnenschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden binnenschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden binnenschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden binnenschieten bijzin, voorwaardelijk
zoudt binnengeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt binnenschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt binnenschieten bijzin, voorwaardelijk
zullen binnengeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen binnengeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen binnengeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen binnenschieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen binnenschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen binnenschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen binnenschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen binnenschieten bijzin, toekomende tijd
zult binnengeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult binnenschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult binnenschieten bijzin, toekomende tijd
zult/zal binnenschieten binnen zult/zal schieten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van binnen en schieten

Woordfamilie van binnenschieten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
binnengeschoten voltooid deelwoord binnenschieten
binnenschiet subordinate-clause, tegenwoordige tijd binnenschieten
binnenschiete with-subordinate-clause binnenschieten
binnenschietend onvoltooid deelwoord binnenschieten
binnenschietende woordvorm binnenschieten
binnenschoot subordinate-clause, verleden tijd binnenschieten
binnenschoten subordinate-clause, verleden tijd binnenschieten
schiet binnen gebiedende wijs binnenschieten
schiete binnen woordvorm binnenschieten
schieten binnen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon binnenschieten
schoot binnen verleden tijd binnenschieten
schoten binnen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon binnenschieten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van binnenschieten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over binnenschieten

Wat betekent binnenschieten?
Binnenschieten is een werkwoord. Het woord betekent: (de bal) in het doel schieten. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je binnenschieten?
Je vervoegt binnenschieten als volgt: het voltooid deelwoord is binnengeschoten. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord binnenschieten is 25 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. I 1
  3. N 1
  4. N 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. S 2
  8. C 5
  9. H 4
  10. I 1
  11. E 1
  12. T 2
  13. E 1
  14. N 1
  15. 25 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

binnenschieten levert met Wordfeud minimaal 28 en maximaal 114 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. I 2
  3. N 1
  4. N 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. S 2
  8. C 5
  9. H 4
  10. I 2
  11. E 1
  12. T 2
  13. E 1
  14. N 1
  15. 28 zonder bonus
  16. 114 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

binnenschieten in het kort

binnenschieten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van binnenschieten zijn 51 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort binnenschieten bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

binnenschieten: (de bal) in het doel schieten
Deel binnenschieten — standaardnederlands.nl