bijzetten
werkwoord ˈbɛizɛtə(n)Betekenis
- een laatste rustplaats geven
- zeilen ~: zeilen ontvouwen om meer wind te vangen
Hoe spreek je bijzetten uit?
/ˈbɛizɛtən/
Bijzetten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɛi | trein |
| z | zon |
| ɛ | bed |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bijzetten
bijzettenhele werkwoord — zette bijverleden tijd enkelvoud — zetten bijverleden tijd meervoud — bijgezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet bij | zette bij |
| jij | zet bij | zette bij |
| hij, zij, het | zet bij | zette bij |
| wij | zetten bij | zetten bij |
| jullie | zetten bij | zetten bij |
| zij | zetten bij | zetten bij |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bij te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bij te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bij zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| bij zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| bij zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| bij zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| bij zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bij zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| bij zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| bijgezet | verleden tijd, deelwoord |
| bijgezet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bijgezet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bijgezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bijgezet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bijgezet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bijgezet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bijgezet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bijgezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bijgezet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bijgezet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bijzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| bijzette | bijzin, verleden tijd |
| bijzettend | onvoltooid, deelwoord |
| er is bijgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bijgezet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bijgezet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bijgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bijgezet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bijgezet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bijgezet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bijgezet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bijgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bijgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bijgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bijgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bijgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bijgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bijgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bijgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben bijgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bijzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bijgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bijgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bijgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bijgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bijgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bijgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bijgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd bijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd bijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd bijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden bijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden bijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden bijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt bijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word bijgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden bijgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden bijgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden bijgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt bijgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt bijgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal bijgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bijgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bijzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zet bij | gebiedende wijs |
| zette bij | verleden tijd |
| zijn bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou bijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bijzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) bijzetten bij zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden bijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bijzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt bijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bijzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen bijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bijgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bijgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bijgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bijzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bijzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult bijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bijgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van bijzetten
Vervoeging van bijzetten
bijzettenhele werkwoord — zette bijverleden tijd enkelvoud — zetten bijverleden tijd meervoud — bijgezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet bij | zette bij |
| jij | zet bij | zette bij |
| hij, zij, het | zet bij | zette bij |
| wij | zetten bij | zetten bij |
| jullie | zetten bij | zetten bij |
| zij | zetten bij | zetten bij |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bij te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bij te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bij zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| bij zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| bij zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| bij zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| bij zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bij zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| bij zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| bijgezet | verleden tijd, deelwoord |
| bijgezet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bijgezet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bijgezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bijgezet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bijgezet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bijgezet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bijgezet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bijgezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bijgezet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bijgezet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bijzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| bijzette | bijzin, verleden tijd |
| bijzettend | onvoltooid, deelwoord |
| er is bijgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bijgezet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bijgezet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bijgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bijgezet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bijgezet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bijgezet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bijgezet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bijgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bijgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bijgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bijgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bijgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bijgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bijgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bijgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben bijgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bijzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bijgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bijgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bijgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bijgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bijgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bijgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bijgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd bijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd bijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd bijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden bijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden bijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden bijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt bijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word bijgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden bijgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden bijgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden bijgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt bijgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt bijgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal bijgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bijgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bijzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zet bij | gebiedende wijs |
| zette bij | verleden tijd |
| zijn bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou bijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bijzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) bijzetten bij zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden bijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bijzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt bijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bijzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen bijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bijgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bijgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bijgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bijzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bijzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult bijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bijgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van bij bw en zetten ww
Woordfamilie van bijzetten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bijgezet | voltooid deelwoord | bijzetten |
| bijgezette | woordvorm | bijzetten |
| bijzet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | bijzetten |
| bijzette | subordinate-clause, verleden tijd | bijzetten |
| bijzettend | onvoltooid deelwoord | bijzetten |
| bijzettende | woordvorm | bijzetten |
| zet bij | gebiedende wijs | bijzetten |
| zette bij | verleden tijd | bijzetten |
| zetten bij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | bijzetten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bijzetten zijn vastgelegd.