Naar de inhoud

bijwonen

opzettelijk aanwezig zijn bij iets

bijwonen

werkwoord ˈbɛiwonə(n)

Betekenis

  1. opzettelijk aanwezig zijn bij iets

Hoe spreek je bijwonen uit?

/ˈbɛiwonən/

Bijwonen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈbɛiwonən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
b bak
ɛi trein
w quiz
o boot
n nek
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van bijwonen

bijwonenhele werkwoord — woonde bijverleden tijd enkelvoud — woonden bijverleden tijd meervoud — bijgewoondvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik woon bij woonde bij
jij woont bij woonde bij
hij, zij, het woont bij woonde bij
wij wonen bij woonden bij
jullie wonen bij woonden bij
zij wonen bij woonden bij
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben bijgewoond voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent bijgewoond voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bij te wonen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bij te zullen wonen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
bij zal wonen bijzin, toekomende tijd
bij zou wonen bijzin, voorwaardelijk
bij zouden wonen bijzin, voorwaardelijk
bij zoudt wonen bijzin, voorwaardelijk
bij zullen wonen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
bij zullen wonen bijzin, toekomende tijd
bij zult wonen bijzin, toekomende tijd
bijgewoond verleden tijd, deelwoord
bijgewoond te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bijgewoond te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bijgewoond te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bijgewoond te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
bijgewoond te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bijgewoond worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
bijgewoond zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
bijgewoond zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bijgewoond zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
bijgewoond zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bijwonend onvoltooid, deelwoord
bijwoon bijzin, tegenwoordige tijd
bijwoonde bijzin, verleden tijd
bijwoonden bijzin, verleden tijd
bijwoont bijzin, tegenwoordige tijd
er is bijgewoond impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was bijgewoond impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd bijgewoond impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt bijgewoond impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal bijgewoond worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal bijgewoond zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou bijgewoond worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou bijgewoond zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had bijgewoond voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had bijgewoond voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had bijgewoond voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden bijgewoond voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden bijgewoond voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden bijgewoond voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt bijgewoond voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb bijgewoond voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bijgewoond actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben bijgewoond voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bijgewoond voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben bijgewoond voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt bijgewoond voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bijgewoond voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bijgewoond voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is bijgewoond voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is bijgewoond voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben bijgewoond actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bijwonen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart bijgewoond voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren bijgewoond voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren bijgewoond voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren bijgewoond voltooid, verleden tijd, derde persoon
was bijgewoond voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was bijgewoond voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was bijgewoond voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd bijgewoond enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd bijgewoond enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd bijgewoond enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden bijgewoond enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden bijgewoond enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden bijgewoond enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt bijgewoond enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
woon bij gebiedende wijs
woonde bij verleden tijd
word bijgewoond enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden bijgewoond enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden bijgewoond enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden bijgewoond enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt bijgewoond enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt bijgewoond enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal bijgewoond hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bijgewoond hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal bijgewoond hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bijgewoond worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bijgewoond worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal bijgewoond zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bijgewoond zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bijwonen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bijwonen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bijwonen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal bijwonen bijzin, toekomende tijd
zijn bijgewoond voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn bijgewoond voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn bijgewoond voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt bijgewoond voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou bijgewoond hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bijgewoond hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bijgewoond hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bijgewoond worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bijgewoond worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou bijgewoond worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bijgewoond zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bijgewoond zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bijgewoond zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bijwonen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bijwonen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bijwonen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou bijwonen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) bijwonen bij zou(dt) wonen bijzin, voorwaardelijk
zouden bijgewoond hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bijgewoond hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bijgewoond hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bijgewoond worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bijgewoond worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bijgewoond worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bijgewoond zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bijgewoond zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bijgewoond zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bijwonen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bijwonen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bijwonen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden bijwonen bijzin, voorwaardelijk
zoudt bijgewoond hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bijgewoond worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bijgewoond zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bijwonen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt bijwonen bijzin, voorwaardelijk
zullen bijgewoond hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bijgewoond hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bijgewoond hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bijgewoond worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bijgewoond worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bijgewoond worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bijgewoond zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bijgewoond zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bijgewoond zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bijwonen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bijwonen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bijwonen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bijwonen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen bijwonen bijzin, toekomende tijd
zult bijgewoond hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van bij en wonen

Woordfamilie van bijwonen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bijgewoond voltooid deelwoord bijwonen
bijgewoonde woordvorm bijwonen
bijwone with-subordinate-clause bijwonen
bijwonend onvoltooid deelwoord bijwonen
bijwonende woordvorm bijwonen
bijwoon subordinate-clause, tegenwoordige tijd bijwonen
bijwoonde subordinate-clause, verleden tijd bijwonen
bijwoonden subordinate-clause, verleden tijd bijwonen
bijwoont subordinate-clause, tegenwoordige tijd bijwonen
wone bij woordvorm bijwonen
wonen bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon bijwonen
woon bij gebiedende wijs bijwonen
woonde bij verleden tijd bijwonen
woonden bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon bijwonen
woont bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon bijwonen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bijwonen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over bijwonen

Hoe spreek ik bijwonen uit?
Zo spreek je bijwonen uit: /ˈbɛiwonə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van bijwonen?
Bijwonen is een werkwoord. De betekenis is: opzettelijk aanwezig zijn bij iets.
Hoe vervoeg ik bijwonen?
Zo vervoeg je bijwonen zo: het voltooid deelwoord is bijgewoond. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bijwonen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. I 1
  3. J 4
  4. W 5
  5. O 1
  6. N 1
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bijwonen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. I 2
  3. J 4
  4. W 5
  5. O 1
  6. N 1
  7. E 1
  8. N 1
  9. 19 zonder bonus
  10. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

bijwonen in het kort

bijwonen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van bijwonen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort bijwonen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

bijwonen: opzettelijk aanwezig zijn bij iets
Deel bijwonen — standaardnederlands.nl