Naar de inhoud

bijwerken

zorgen dat alle veranderingen die inmiddels nodig geworden waren doorgevoerd zijn

bijwerken is meer dan één woord

bijwerken

werkwoord, zelfstandig naamwoord /'bɛɪʋɛrkə(n)/

Betekenis

  1. zorgen dat alle veranderingen die inmiddels nodig geworden waren doorgevoerd zijn

Hoe spreek je bijwerken uit?

/ˈbɛiwɛrkən/

Bijwerken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈbɛiwɛrkən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
b bak
ɛi trein
w quiz
ɛ bed
r rood
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van bijwerken

bijwerkenhele werkwoord — werkte bijverleden tijd enkelvoud — werkten bijverleden tijd meervoud — bijgewerktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik werk bij werkte bij
jij werkt bij werkte bij
hij, zij, het werkt bij werkte bij
wij werken bij werkten bij
jullie werken bij werkten bij
zij werken bij werkten bij
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben bijgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent bijgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bij te werken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bij te zullen werken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
bij zal werken bijzin, toekomende tijd
bij zou werken bijzin, voorwaardelijk
bij zouden werken bijzin, voorwaardelijk
bij zoudt werken bijzin, voorwaardelijk
bij zullen werken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
bij zullen werken bijzin, toekomende tijd
bij zult werken bijzin, toekomende tijd
bijgewerkt verleden tijd, deelwoord
bijgewerkt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bijgewerkt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bijgewerkt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bijgewerkt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
bijgewerkt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bijgewerkt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
bijgewerkt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
bijgewerkt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bijgewerkt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
bijgewerkt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bijwerk bijzin, tegenwoordige tijd
bijwerkend onvoltooid, deelwoord
bijwerkt bijzin, tegenwoordige tijd
bijwerkte bijzin, verleden tijd
bijwerkten bijzin, verleden tijd
er is bijgewerkt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was bijgewerkt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd bijgewerkt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt bijgewerkt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal bijgewerkt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal bijgewerkt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou bijgewerkt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou bijgewerkt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had bijgewerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had bijgewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had bijgewerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden bijgewerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden bijgewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden bijgewerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt bijgewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb bijgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bijgewerkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben bijgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bijgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben bijgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt bijgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bijgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bijgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is bijgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is bijgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben bijgewerkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bijwerken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart bijgewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren bijgewerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren bijgewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren bijgewerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was bijgewerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was bijgewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was bijgewerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd bijgewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd bijgewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd bijgewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden bijgewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden bijgewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden bijgewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt bijgewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werk bij gebiedende wijs
werkte bij verleden tijd
word bijgewerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden bijgewerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden bijgewerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden bijgewerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt bijgewerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt bijgewerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal bijgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bijgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal bijgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bijgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bijgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal bijgewerkt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bijgewerkt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bijwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bijwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bijwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal bijwerken bijzin, toekomende tijd
zijn bijgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn bijgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn bijgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt bijgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou bijgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bijgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bijgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bijgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bijgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou bijgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bijgewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bijgewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bijgewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bijwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bijwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bijwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou bijwerken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) bijwerken bij zou(dt) werken bijzin, voorwaardelijk
zouden bijgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bijgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bijgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bijgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bijgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bijgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bijgewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bijgewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bijgewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bijwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bijwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bijwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden bijwerken bijzin, voorwaardelijk
zoudt bijgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bijgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bijgewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bijwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt bijwerken bijzin, voorwaardelijk
zullen bijgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bijgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bijgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bijgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bijgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bijgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bijgewerkt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bijgewerkt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bijgewerkt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bijwerken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bijwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bijwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bijwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen bijwerken bijzin, toekomende tijd
zult bijgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord bijwerk

Herkomst

samenstelling van bij en werken

Woordfamilie van bijwerken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bijgewerkte woordvorm bijwerken
bijwerke with-subordinate-clause bijwerken
bijwerkend onvoltooid deelwoord bijwerken
bijwerkende woordvorm bijwerken
bijwerkt subordinate-clause, tegenwoordige tijd bijwerken
bijwerkte subordinate-clause, verleden tijd bijwerken
bijwerkten subordinate-clause, verleden tijd bijwerken
werk bij gebiedende wijs bijwerken
werke bij woordvorm bijwerken
werken bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon bijwerken
werkt bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon bijwerken
werkte bij verleden tijd bijwerken
werkten bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon bijwerken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bijwerken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over bijwerken

Hoe spreek je bijwerken uit?
De uitspraak van bijwerken is: /'bɛɪʋɛrkə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent bijwerken?
Bijwerken is een werkwoord. Het woord betekent: zorgen dat alle veranderingen die inmiddels nodig geworden waren doorgevoerd zijn.
Hoe vervoeg je bijwerken?
Je vervoegt bijwerken als volgt: het voltooid deelwoord is bijgewerkt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bijwerken is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. I 1
  3. J 4
  4. W 5
  5. E 1
  6. R 2
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bijwerken levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. I 2
  3. J 4
  4. W 5
  5. E 1
  6. R 2
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 23 zonder bonus
  11. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

bijwerken in het kort

bijwerken is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van bijwerken zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort bijwerken bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

bijwerken: zorgen dat alle veranderingen die inmiddels nodig geworden waren doorgevoerd zijn
Deel bijwerken — standaardnederlands.nl