Naar de inhoud

bijslepen

dichterbij brengen door het over een bodem voort te trekken

bijslepen

werkwoord

Betekenis

  1. dichterbij brengen door het over een bodem voort te trekken

Vervoeging van bijslepen

bijslepenhele werkwoord — sleepte bijverleden tijd enkelvoud — sleepten bijverleden tijd meervoud — bijgesleeptvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sleep bij sleepte bij
jij sleept bij sleepte bij
hij, zij, het sleept bij sleepte bij
wij slepen bij sleepten bij
jullie slepen bij sleepten bij
zij slepen bij sleepten bij
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
bij te slepen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bij te zullen slepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
bij zal slepen bijzin, toekomende tijd
bij zou slepen bijzin, voorwaardelijk
bij zouden slepen bijzin, voorwaardelijk
bij zoudt slepen bijzin, voorwaardelijk
bij zullen slepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
bij zullen slepen bijzin, toekomende tijd
bij zult slepen bijzin, toekomende tijd
bijgesleept verleden tijd, deelwoord
bijgesleept te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bijgesleept zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bijsleep bijzin, tegenwoordige tijd
bijsleept bijzin, tegenwoordige tijd
bijsleepte bijzin, verleden tijd
bijsleepten bijzin, verleden tijd
bijslepend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
had bijgesleept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had bijgesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had bijgesleept voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden bijgesleept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden bijgesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden bijgesleept voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt bijgesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb bijgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bijgesleept actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben bijgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bijgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben bijgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt bijgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bijgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bijgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sleep bij gebiedende wijs
sleepte bij verleden tijd
te hebben bijgesleept actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bijslepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal bijgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bijgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal bijgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal bijslepen bijzin, toekomende tijd
zou bijgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bijgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bijgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou bijslepen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) bijslepen bij zou(dt) slepen bijzin, voorwaardelijk
zouden bijgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bijgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bijgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden bijslepen bijzin, voorwaardelijk
zoudt bijgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt bijslepen bijzin, voorwaardelijk
zullen bijgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bijgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bijgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bijslepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen bijslepen bijzin, toekomende tijd
zult bijgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult bijslepen bijzin, toekomende tijd
zult/zal bijslepen bij zult/zal slepen bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van bijslijpen

Vervoeging van bijslepen

bijslepenhele werkwoord — sleepte bijverleden tijd enkelvoud — sleepten bijverleden tijd meervoud — bijgesleeptvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sleep bij sleepte bij
jij sleept bij sleepte bij
hij, zij, het sleept bij sleepte bij
wij slepen bij sleepten bij
jullie slepen bij sleepten bij
zij slepen bij sleepten bij
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
bij te slepen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bij te zullen slepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
bij zal slepen bijzin, toekomende tijd
bij zou slepen bijzin, voorwaardelijk
bij zouden slepen bijzin, voorwaardelijk
bij zoudt slepen bijzin, voorwaardelijk
bij zullen slepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
bij zullen slepen bijzin, toekomende tijd
bij zult slepen bijzin, toekomende tijd
bijgesleept verleden tijd, deelwoord
bijgesleept te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bijgesleept zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bijsleep bijzin, tegenwoordige tijd
bijsleept bijzin, tegenwoordige tijd
bijsleepte bijzin, verleden tijd
bijsleepten bijzin, verleden tijd
bijslepend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
had bijgesleept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had bijgesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had bijgesleept voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden bijgesleept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden bijgesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden bijgesleept voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt bijgesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb bijgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bijgesleept actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben bijgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bijgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben bijgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt bijgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bijgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bijgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sleep bij gebiedende wijs
sleepte bij verleden tijd
te hebben bijgesleept actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bijslepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal bijgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bijgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal bijgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal bijslepen bijzin, toekomende tijd
zou bijgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bijgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bijgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou bijslepen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) bijslepen bij zou(dt) slepen bijzin, voorwaardelijk
zouden bijgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bijgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bijgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden bijslepen bijzin, voorwaardelijk
zoudt bijgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt bijslepen bijzin, voorwaardelijk
zullen bijgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bijgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bijgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bijslepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen bijslepen bijzin, toekomende tijd
zult bijgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult bijslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult bijslepen bijzin, toekomende tijd
zult/zal bijslepen bij zult/zal slepen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van bij bw en slepen ww

Woordfamilie van bijslepen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bijgesleept voltooid deelwoord bijslepen
bijgesleepte woordvorm bijslepen
bijsleept subordinate-clause, tegenwoordige tijd bijslepen
bijsleepte subordinate-clause, verleden tijd bijslepen
bijsleepten subordinate-clause, verleden tijd bijslepen
bijslepe with-subordinate-clause bijslepen
bijslepend onvoltooid deelwoord bijslepen
bijslepende woordvorm bijslepen
sleept bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon bijslepen
sleepte bij verleden tijd bijslepen
sleepten bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon bijslepen
slepe bij woordvorm bijslepen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bijslepen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over bijslepen

Wat is de betekenis van bijslepen?
Bijslepen is een werkwoord. De betekenis is: dichterbij brengen door het over een bodem voort te trekken.
Hoe vervoeg ik bijslepen?
Zo vervoeg je bijslepen zo: het voltooid deelwoord is bijgesleept. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bijslepen is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. I 1
  3. J 4
  4. S 2
  5. L 3
  6. E 1
  7. P 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bijslepen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. I 2
  3. J 4
  4. S 2
  5. L 3
  6. E 1
  7. P 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 22 zonder bonus
  11. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

bijslepen in het kort

bijslepen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van bijslepen staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort bijslepen bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

bijslepen: dichterbij brengen door het over een bodem voort te trekken
Deel bijslepen — standaardnederlands.nl