Naar de inhoud

bijleren

aanvullende kennis of vaardigheid opdoen

bijleren

werkwoord ˈbɛilerə(n)

Betekenis

  1. aanvullende kennis of vaardigheid opdoen

Hoe spreek je bijleren uit?

/ˈbɛilerən/

Bijleren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈbɛilerən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
b bak
ɛi trein
l land
e veel
r rood
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van bijleren

bijlerenhele werkwoord — leerde bijverleden tijd enkelvoud — leerden bijverleden tijd meervoud — bijgeleerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik leer bij leerde bij
jij leert bij leerde bij
hij, zij, het leert bij leerde bij
wij leren bij leerden bij
jullie leren bij leerden bij
zij leren bij leerden bij
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
bij te leren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bij te zullen leren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
bij zal leren bijzin, toekomende tijd
bij zou leren bijzin, voorwaardelijk
bij zouden leren bijzin, voorwaardelijk
bij zoudt leren bijzin, voorwaardelijk
bij zullen leren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
bij zullen leren bijzin, toekomende tijd
bij zult leren bijzin, toekomende tijd
bijgeleerd verleden tijd, deelwoord
bijgeleerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bijgeleerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bijleer bijzin, tegenwoordige tijd
bijleerde bijzin, verleden tijd
bijleerden bijzin, verleden tijd
bijleert bijzin, tegenwoordige tijd
bijlerend onvoltooid, deelwoord
er is bijgeleerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was bijgeleerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd bijgeleerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt bijgeleerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal bijgeleerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal bijgeleerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou bijgeleerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou bijgeleerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had bijgeleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had bijgeleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had bijgeleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden bijgeleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden bijgeleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden bijgeleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt bijgeleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb bijgeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bijgeleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben bijgeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bijgeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben bijgeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt bijgeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bijgeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bijgeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
leer bij gebiedende wijs
leerde bij verleden tijd
te hebben bijgeleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bijleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal bijgeleerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bijgeleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal bijgeleerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bijleren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bijleren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bijleren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal bijleren bijzin, toekomende tijd
zou bijgeleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bijgeleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bijgeleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bijleren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bijleren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bijleren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou bijleren bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) bijleren bij zou(dt) leren bijzin, voorwaardelijk
zouden bijgeleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bijgeleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bijgeleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bijleren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bijleren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bijleren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden bijleren bijzin, voorwaardelijk
zoudt bijgeleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bijleren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt bijleren bijzin, voorwaardelijk
zullen bijgeleerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bijgeleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bijgeleerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bijleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bijleren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bijleren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bijleren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen bijleren bijzin, toekomende tijd
zult bijgeleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult bijleren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult bijleren bijzin, toekomende tijd
zult/zal bijleren bij zult/zal leren bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van bij bw en leren ww

Woordfamilie van bijleren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bijgeleerd voltooid deelwoord bijleren
bijgeleerde woordvorm bijleren
bijleer subordinate-clause, tegenwoordige tijd bijleren
bijleerde subordinate-clause, verleden tijd bijleren
bijleerden subordinate-clause, verleden tijd bijleren
bijleert subordinate-clause, tegenwoordige tijd bijleren
bijlere with-subordinate-clause bijleren
bijlerend onvoltooid deelwoord bijleren
bijlerende woordvorm bijleren
leer bij gebiedende wijs bijleren
leerde bij verleden tijd bijleren
leerden bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon bijleren
leert bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon bijleren
lere bij woordvorm bijleren
leren bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon bijleren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bijleren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over bijleren

Hoe spreek ik bijleren uit?
Zo spreek je bijleren uit: /ˈbɛilerə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van bijleren?
Bijleren is een werkwoord. De betekenis is: aanvullende kennis of vaardigheid opdoen.
Hoe vervoeg ik bijleren?
Zo vervoeg je bijleren zo: het voltooid deelwoord is bijgeleerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bijleren is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. I 1
  3. J 4
  4. L 3
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bijleren levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. I 2
  3. J 4
  4. L 3
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 zonder bonus
  10. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

bijleren in het kort

bijleren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van bijleren staan er 53 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort bijleren bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

bijleren: aanvullende kennis of vaardigheid opdoen
Deel bijleren — standaardnederlands.nl