bijgieten
werkwoordBetekenis
- gietend aanvullen
Vervoeging van bijgieten
bijgietenhele werkwoord — goot bijverleden tijd enkelvoud — goten bijverleden tijd meervoud — bijgegotenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | giet bij | goot bij |
| jij | giet bij | goot bij |
| hij, zij, het | giet bij | goot bij |
| wij | gieten bij | goten bij |
| jullie | gieten bij | goten bij |
| zij | gieten bij | goten bij |
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bij te gieten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bij te zullen gieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bij zal gieten | bijzin, toekomende tijd |
| bij zou gieten | bijzin, voorwaardelijk |
| bij zouden gieten | bijzin, voorwaardelijk |
| bij zoudt gieten | bijzin, voorwaardelijk |
| bij zullen gieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bij zullen gieten | bijzin, toekomende tijd |
| bij zult gieten | bijzin, toekomende tijd |
| bijgegoten | verleden tijd, deelwoord |
| bijgegoten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bijgegoten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bijgiet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| bijgietend | onvoltooid, deelwoord |
| bijgoot | bijzin, verleden tijd |
| bijgoten | bijzin, verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| giet bij | gebiedende wijs |
| goot bij | verleden tijd |
| had bijgegoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bijgegoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bijgegoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bijgegoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bijgegoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bijgegoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bijgegoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bijgegoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bijgegoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bijgegoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bijgegoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bijgegoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bijgegoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bijgegoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bijgegoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben bijgegoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bijgieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bijgegoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bijgegoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bijgegoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bijgieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bijgieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bijgieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bijgieten | bijzin, toekomende tijd |
| zou bijgegoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bijgegoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bijgegoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bijgieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bijgieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bijgieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bijgieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) bijgieten bij zou(dt) gieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden bijgegoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bijgegoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bijgegoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bijgieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bijgieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bijgieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bijgieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt bijgegoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bijgieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bijgieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen bijgegoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bijgegoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bijgegoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bijgieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bijgieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bijgieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bijgieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bijgieten | bijzin, toekomende tijd |
| zult bijgegoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bijgieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult bijgieten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal bijgieten bij zult/zal gieten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van bij en gieten
Woordfamilie van bijgieten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bijgegoten | voltooid deelwoord | bijgieten |
| bijgiet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | bijgieten |
| bijgiete | with-subordinate-clause | bijgieten |
| bijgietend | onvoltooid deelwoord | bijgieten |
| bijgietende | woordvorm | bijgieten |
| bijgoot | subordinate-clause, verleden tijd | bijgieten |
| bijgoten | subordinate-clause, verleden tijd | bijgieten |
| giet bij | gebiedende wijs | bijgieten |
| giete bij | woordvorm | bijgieten |
| gieten bij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | bijgieten |
| goot bij | verleden tijd | bijgieten |
| goten bij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bijgieten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bijgieten zijn vastgelegd.