Naar de inhoud

bijeenkomen

bij elkaar verzamelen

bijeenkomen

werkwoord

Betekenis

  1. bij elkaar verzamelen

Vervoeging van bijeenkomen

bijeenkomenhele werkwoord — kwam bijeenverleden tijd enkelvoud — kwamen bijeenverleden tijd meervoud — bijeengekomenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kom bijeen kwam bijeen
jij komt bijeen kwaamt bijeen
hij, zij, het komt bijeen kwam bijeen
wij komen bijeen kwamen bijeen
jullie komen bijeen kwamen bijeen
zij komen bijeen kwamen bijeen
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben bijeengekomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent bijeengekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bijeen te komen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bijeen te zullen komen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
bijeen zal komen bijzin, toekomende tijd
bijeen zou komen bijzin, voorwaardelijk
bijeen zouden komen bijzin, voorwaardelijk
bijeen zoudt komen bijzin, voorwaardelijk
bijeen zullen komen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
bijeen zullen komen bijzin, toekomende tijd
bijeen zult komen bijzin, toekomende tijd
bijeengekomen verleden tijd, deelwoord
bijeengekomen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bijeengekomen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bijeenkom bijzin, tegenwoordige tijd
bijeenkomend onvoltooid, deelwoord
bijeenkomt bijzin, tegenwoordige tijd
bijeenkwaamt bijzin, verleden tijd
bijeenkwam bijzin, verleden tijd
bijeenkwamen bijzin, verleden tijd
ev. gebiedende wijs
is bijeengekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is bijeengekomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kom bijeen gebiedende wijs
kwam bijeen verleden tijd
te zijn bijeengekomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bijeenkomen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart bijeengekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren bijeengekomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren bijeengekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren bijeengekomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was bijeengekomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was bijeengekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was bijeengekomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal bijeengekomen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bijeengekomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal bijeengekomen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bijeenkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bijeenkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bijeenkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal bijeenkomen bijzin, toekomende tijd
zijn bijeengekomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn bijeengekomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn bijeengekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn bijeengekomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt bijeengekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou bijeengekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bijeengekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bijeengekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bijeenkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bijeenkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bijeenkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou bijeenkomen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) bijeenkomen bijeen zou(dt) komen bijzin, voorwaardelijk
zouden bijeengekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bijeengekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bijeengekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bijeenkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bijeenkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bijeenkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden bijeenkomen bijzin, voorwaardelijk
zoudt bijeengekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bijeenkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt bijeenkomen bijzin, voorwaardelijk
zullen bijeengekomen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bijeengekomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bijeengekomen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bijeenkomen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bijeenkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bijeenkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bijeenkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen bijeenkomen bijzin, toekomende tijd
zult bijeengekomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult bijeenkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult bijeenkomen bijzin, toekomende tijd
zult/zal bijeenkomen bijeen zult/zal komen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van bijeen bw en komen ww

Woordfamilie van bijeenkomen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bijeengekomen voltooid deelwoord bijeenkomen
bijeenkom subordinate-clause, tegenwoordige tijd bijeenkomen
bijeenkome with-subordinate-clause bijeenkomen
bijeenkomend onvoltooid deelwoord bijeenkomen
bijeenkomende woordvorm bijeenkomen
bijeenkomt subordinate-clause, tegenwoordige tijd bijeenkomen
bijeenkwam subordinate-clause, verleden tijd bijeenkomen
bijeenkwamen subordinate-clause, verleden tijd bijeenkomen
kom bijeen gebiedende wijs bijeenkomen
kome bijeen woordvorm bijeenkomen
komen bijeen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon bijeenkomen
komt bijeen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon bijeenkomen
kwam bijeen verleden tijd bijeenkomen
kwamen bijeen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon bijeenkomen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bijeenkomen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over bijeenkomen

Wat betekent bijeenkomen?
Bijeenkomen is een werkwoord. Het woord betekent: bij elkaar verzamelen.
Hoe vervoeg je bijeenkomen?
Je vervoegt bijeenkomen als volgt: het voltooid deelwoord is bijeengekomen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bijeenkomen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. I 1
  3. J 4
  4. E 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. K 3
  8. O 1
  9. M 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bijeenkomen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. I 2
  3. J 4
  4. E 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. K 3
  8. O 1
  9. M 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 22 zonder bonus
  13. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

bijeenkomen in het kort

bijeenkomen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van bijeenkomen zijn 48 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort bijeenkomen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

bijeenkomen: bij elkaar verzamelen
Deel bijeenkomen — standaardnederlands.nl