bijdoen
werkwoord 'bɛɪdunBetekenis
- toevoegen, aanbrengen, bijleggen, bijmengen, bijvoegen, toegeven
Hoe spreek je bijdoen uit?
/ˈbɛidun/
Bijdoen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɛi | trein |
| d | dak |
| u | boek |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bijdoen
bijdoenhele werkwoord — deed bijverleden tijd enkelvoud — deden bijverleden tijd meervoud — bijgedaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | doe bij | deed bij |
| jij | doet bij | deed bij |
| hij, zij, het | doet bij | deed bij |
| wij | doen bij | deden bij |
| jullie | doen bij | deden bij |
| zij | doen bij | deden bij |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bij te doen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bij te zullen doen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bij zal doen | bijzin, toekomende tijd |
| bij zou doen | bijzin, voorwaardelijk |
| bij zouden doen | bijzin, voorwaardelijk |
| bij zoudt doen | bijzin, voorwaardelijk |
| bij zullen doen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bij zullen doen | bijzin, toekomende tijd |
| bij zult doen | bijzin, toekomende tijd |
| bijdeden | bijzin, verleden tijd |
| bijdeed | bijzin, verleden tijd |
| bijdoe | bijzin, tegenwoordige tijd |
| bijdoend | onvoltooid, deelwoord |
| bijdoet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| bijgedaan | verleden tijd, deelwoord |
| bijgedaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bijgedaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| deed bij | verleden tijd |
| doe bij | gebiedende wijs |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bijgedaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bijgedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bijgedaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bijgedaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bijgedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bijgedaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bijgedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bijgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bijgedaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bijgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bijgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bijgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bijgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bijgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bijgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben bijgedaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bijdoen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bijdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bijdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bijdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bijdoen | bijzin, toekomende tijd |
| zal bijgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bijgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bijgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bijdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bijdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bijdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bijdoen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou bijgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bijgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bijgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) bijdoen bij zou(dt) doen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden bijdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bijdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bijdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bijdoen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden bijgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bijgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bijgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bijdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bijdoen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt bijgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bijdoen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bijdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bijdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bijdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bijdoen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen bijgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bijgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bijgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bijdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult bijdoen | bijzin, toekomende tijd |
| zult bijgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal bijdoen bij zult/zal doen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van bij en doen
Woordfamilie van bijdoen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bijdeden | subordinate-clause, verleden tijd | bijdoen |
| bijdeed | subordinate-clause, verleden tijd | bijdoen |
| bijdoe | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | bijdoen |
| bijdoend | onvoltooid deelwoord | bijdoen |
| bijdoende | woordvorm | bijdoen |
| bijdoet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | bijdoen |
| bijgedaan | voltooid deelwoord | bijdoen |
| bijgedane | woordvorm | bijdoen |
| deden bij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bijdoen |
| deed bij | verleden tijd | bijdoen |
| doe bij | gebiedende wijs | bijdoen |
| doen bij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | bijdoen |
| doet bij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bijdoen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bijdoen zijn vastgelegd.