bijblijven
werkwoordBetekenis
- zorgen dat men niet achterblijft bij de voortgang van iets
- iemand ~ in de herinnering blijven
Vervoeging van bijblijven
bijblijvenhele werkwoord — bleef bijverleden tijd enkelvoud — bleven bijverleden tijd meervoud — bijgeblevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | blijf bij | bleef bij |
| jij | blijft bij | bleef bij |
| hij, zij, het | blijft bij | bleef bij |
| wij | blijven bij | bleven bij |
| jullie | blijven bij | bleven bij |
| zij | blijven bij | bleven bij |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben bijgebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bijgebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bij te blijven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bij te zullen blijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bij zal blijven | bijzin, toekomende tijd |
| bij zou blijven | bijzin, voorwaardelijk |
| bij zouden blijven | bijzin, voorwaardelijk |
| bij zoudt blijven | bijzin, voorwaardelijk |
| bij zullen blijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bij zullen blijven | bijzin, toekomende tijd |
| bij zult blijven | bijzin, toekomende tijd |
| bijbleef | bijzin, verleden tijd |
| bijbleven | bijzin, verleden tijd |
| bijblijf | bijzin, tegenwoordige tijd |
| bijblijft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| bijblijvend | onvoltooid, deelwoord |
| bijgebleven | verleden tijd, deelwoord |
| bijgebleven te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bijgebleven zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bleef bij | verleden tijd |
| blijf bij | gebiedende wijs |
| ev. | gebiedende wijs |
| is bijgebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bijgebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn bijgebleven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bijblijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bijgebleven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bijgebleven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bijgebleven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bijgebleven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bijgebleven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bijgebleven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bijgebleven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal bijblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bijblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bijblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bijblijven | bijzin, toekomende tijd |
| zal bijgebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bijgebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bijgebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn bijgebleven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn bijgebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bijgebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bijgebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bijgebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bijblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bijblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bijblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bijblijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou bijgebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bijgebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bijgebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) bijblijven bij zou(dt) blijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden bijblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bijblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bijblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bijblijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden bijgebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bijgebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bijgebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bijblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bijblijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt bijgebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bijblijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bijblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bijblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bijblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bijblijven | bijzin, toekomende tijd |
| zullen bijgebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bijgebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bijgebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bijblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult bijblijven | bijzin, toekomende tijd |
| zult bijgebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal bijblijven bij zult/zal blijven | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van bij en blijven
Woordfamilie van bijblijven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bijbleef | subordinate-clause, verleden tijd | bijblijven |
| bijbleven | subordinate-clause, verleden tijd | bijblijven |
| bijblijf | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | bijblijven |
| bijblijft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | bijblijven |
| bijblijve | with-subordinate-clause | bijblijven |
| bijblijvend | onvoltooid deelwoord | bijblijven |
| bijblijvende | woordvorm | bijblijven |
| bijgebleven | voltooid deelwoord | bijblijven |
| bleef bij | verleden tijd | bijblijven |
| bleven bij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bijblijven |
| blijf bij | gebiedende wijs | bijblijven |
| blijft bij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bijblijven |
| blijve bij | woordvorm | bijblijven |
| blijven bij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | bijblijven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bijblijven zijn vastgelegd.