Naar de inhoud

bezinnen

zich ~ op, over opnieuw ergens over nadenken

bezinnen

werkwoord

Betekenis

  1. zich ~ op, over opnieuw ergens over nadenken
  2. tijd nemen om na te denken
  3. tweede betekenisomschrijving
  4. enz.

Vervoeging van bezinnen

bezinnenhele werkwoord — bezonverleden tijd enkelvoud — bezonnenverleden tijd meervoud — bezonnenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bezin bezon
jij bezint bezon
hij, zij, het bezint bezon
wij bezinnen bezonnen
jullie bezinnen bezonnen
zij bezinnen bezonnen
Alle 89 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
bezin gebiedende wijs
bezin me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
bezin u/je , bezint je gebiedende wijs
bezinne aanvoegende wijs
bezinne zich aanvoegende wijs
bezinnen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bezinnen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bezinnen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bezinnend onvoltooid, deelwoord
bezint je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
bezint u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
bezint u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bezint zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
bezint zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
bezint zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bezon verleden tijd
bezon je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
bezon me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
bezon u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
bezon u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
bezon zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
bezon zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
bezon zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
bezonnen verleden tijd, deelwoord
bezonnen je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
bezonnen ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
bezonnen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bezonnen zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
bezonnen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ev. gebiedende wijs
had bezonnen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had bezonnen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had bezonnen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden bezonnen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden bezonnen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden bezonnen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt bezonnen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb bezonnen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bezonnen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben bezonnen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bezonnen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben bezonnen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt bezonnen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bezonnen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bezonnen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te bezinnen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben bezonnen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bezinnen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal bezinnen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bezinnen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bezinnen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal bezonnen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bezonnen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal bezonnen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me bezinnen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich bezinnen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je bezinnen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich bezinnend onvoltooid, deelwoord
zich bezonnen hebben verleden tijd
zou bezinnen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bezinnen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bezinnen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou bezonnen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bezonnen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bezonnen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bezinnen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bezinnen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bezinnen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden bezonnen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bezonnen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bezonnen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt bezinnen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt bezonnen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen bezinnen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bezinnen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bezinnen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bezinnen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen bezonnen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bezonnen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bezonnen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen je bezinnen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons bezinnen eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen zich bezinnen derde persoon, toekomende tijd, meervoud
zult bezinnen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult bezonnen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult u bezinnen tweede persoon
zult u bezinnen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult zich/u bezinnen tweede persoon
zult zich/u bezinnen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud

Herkomst

In de betekenis van ‘nadenken’ voor het eerst aangetroffen in 1477

Woordfamilie van bezinnen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bezin gebiedende wijs bezinnen
bezinne aanvoegende wijs bezinnen
bezinnend onvoltooid deelwoord bezinnen
bezinnende woordvorm bezinnen
bezint aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon bezinnen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bezinnen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over bezinnen

Wat is de betekenis van bezinnen?
Bezinnen is een werkwoord. De betekenis is: zich ~ op, over opnieuw ergens over nadenken. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik bezinnen?
Zo vervoeg je bezinnen zo: de tegenwoordige tijd is bezin, de verleden tijd is bezon en het voltooid deelwoord is bezonnen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spreekwoorden en gezegden met bezinnen

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bezinnen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. E 1
  3. Z 4
  4. I 1
  5. N 1
  6. N 1
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bezinnen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. E 1
  3. Z 5
  4. I 2
  5. N 1
  6. N 1
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

bezinnen in het kort

bezinnen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van bezinnen staan er 59 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort bezinnen bij een woordfamilie van 5 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

bezinnen: zich ~ op, over opnieuw ergens over nadenken
Deel bezinnen — standaardnederlands.nl