bezinnen
werkwoordBetekenis
- zich ~ op, over opnieuw ergens over nadenken
- tijd nemen om na te denken
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van bezinnen
bezinnenhele werkwoord — bezonverleden tijd enkelvoud — bezonnenverleden tijd meervoud — bezonnenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bezin | bezon |
| jij | bezint | bezon |
| hij, zij, het | bezint | bezon |
| wij | bezinnen | bezonnen |
| jullie | bezinnen | bezonnen |
| zij | bezinnen | bezonnen |
Alle 89 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bezin | gebiedende wijs |
| bezin me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bezin u/je , bezint je | gebiedende wijs |
| bezinne | aanvoegende wijs |
| bezinne zich | aanvoegende wijs |
| bezinnen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bezinnen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bezinnen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bezinnend | onvoltooid, deelwoord |
| bezint je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bezint u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bezint u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bezint zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bezint zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bezint zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bezon | verleden tijd |
| bezon je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bezon me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bezon u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| bezon u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bezon zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bezon zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| bezon zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bezonnen | verleden tijd, deelwoord |
| bezonnen je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bezonnen ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| bezonnen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bezonnen zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| bezonnen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bezonnen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bezonnen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bezonnen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bezonnen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bezonnen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bezonnen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bezonnen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bezonnen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bezonnen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bezonnen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bezonnen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bezonnen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bezonnen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bezonnen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bezonnen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bezinnen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bezonnen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bezinnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bezinnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bezinnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bezinnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bezonnen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bezonnen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bezonnen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me bezinnen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich bezinnen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je bezinnen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich bezinnend | onvoltooid, deelwoord |
| zich bezonnen hebben | verleden tijd |
| zou bezinnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bezinnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bezinnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bezonnen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bezonnen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bezonnen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bezinnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bezinnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bezinnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bezonnen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bezonnen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bezonnen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bezinnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bezonnen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bezinnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bezinnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bezinnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bezinnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bezonnen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bezonnen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bezonnen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen je bezinnen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons bezinnen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich bezinnen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult bezinnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult bezonnen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult u bezinnen | tweede persoon |
| zult u bezinnen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u bezinnen | tweede persoon |
| zult zich/u bezinnen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘nadenken’ voor het eerst aangetroffen in 1477
Woordfamilie van bezinnen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bezin | gebiedende wijs | bezinnen |
| bezinne | aanvoegende wijs | bezinnen |
| bezinnend | onvoltooid deelwoord | bezinnen |
| bezinnende | woordvorm | bezinnen |
| bezint | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bezinnen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bezinnen zijn vastgelegd.