bezaaien
werkwoordBetekenis
- een akker met zaad bestrooien
- door bestrooien bedekken
Vervoeging van bezaaien
bezaaienhele werkwoord — bezaaideverleden tijd enkelvoud — bezaaidenverleden tijd meervoud — bezaaidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bezaai | bezaaide |
| jij | bezaait | bezaaide |
| hij, zij, het | bezaait | bezaaide |
| wij | bezaaien | bezaaiden |
| jullie | bezaaien | bezaaiden |
| zij | bezaaien | bezaaiden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben bezaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bezaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bezaai | gebiedende wijs |
| bezaaid | verleden tijd, deelwoord |
| bezaaid te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bezaaid te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bezaaid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bezaaid te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bezaaid te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bezaaid worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bezaaid zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bezaaid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bezaaid zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bezaaid zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bezaaide | verleden tijd |
| bezaaie | aanvoegende wijs |
| bezaaiend | onvoltooid, deelwoord |
| er is bezaaid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bezaaid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bezaaid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bezaaid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bezaaid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bezaaid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bezaaid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bezaaid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bezaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bezaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bezaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bezaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bezaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bezaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bezaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bezaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bezaaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bezaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bezaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bezaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bezaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bezaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bezaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is bezaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bezaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bezaaien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bezaaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bezaaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bezaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bezaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bezaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bezaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bezaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bezaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bezaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd bezaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd bezaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd bezaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden bezaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden bezaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden bezaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt bezaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word bezaaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden bezaaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden bezaaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden bezaaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt bezaaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt bezaaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bezaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bezaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bezaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bezaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bezaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal bezaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bezaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bezaaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bezaaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bezaaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn bezaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bezaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bezaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bezaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bezaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bezaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bezaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bezaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bezaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou bezaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bezaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bezaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bezaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bezaaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bezaaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bezaaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden bezaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bezaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bezaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bezaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bezaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bezaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bezaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bezaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bezaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bezaaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bezaaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bezaaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt bezaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bezaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bezaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bezaaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen bezaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bezaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bezaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bezaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bezaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bezaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bezaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bezaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bezaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bezaaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bezaaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bezaaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bezaaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult bezaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bezaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bezaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bezaaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van zaaien met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van bezaaien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bezaai | gebiedende wijs | bezaaien |
| bezaaiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bezaaien |
| bezaaie | aanvoegende wijs | bezaaien |
| bezaaiend | onvoltooid deelwoord | bezaaien |
| bezaaiende | woordvorm | bezaaien |
| bezaait | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bezaaien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bezaaien zijn vastgelegd.