Naar de inhoud

bewapenen

iets of iemand van wapens voorzien

bewapenen

werkwoord bəˈwapənə(n)

Betekenis

  1. iets of iemand van wapens voorzien
  2. zich ~: wapens uit hun opslag halen en gaan dragen

Hoe spreek je bewapenen uit?

/bəˈwapənən/

Bewapenen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /bəˈwapənən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
b bak
ə de
w quiz
a maan
p pak
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van bewapenen

bewapenenhele werkwoord — bewapendeverleden tijd enkelvoud — bewapendenverleden tijd meervoud — bewapendvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bewapen bewapende
jij bewapent bewapende
hij, zij, het bewapent bewapende
wij bewapenen bewapenden
jullie bewapenen bewapenden
zij bewapenen bewapenden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben bewapend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent bewapend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bewapen gebiedende wijs
bewapen me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
bewapen u/je , bewapent je gebiedende wijs
bewapend verleden tijd, deelwoord
bewapend te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bewapend te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bewapend te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bewapend te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
bewapend te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bewapend worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
bewapend zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
bewapend zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bewapend zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
bewapend zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bewapende verleden tijd
bewapende je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
bewapende me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
bewapende u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
bewapende u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
bewapende zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
bewapende zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
bewapende zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
bewapenden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
bewapenden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
bewapenden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
bewapene aanvoegende wijs
bewapene zich aanvoegende wijs
bewapenen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bewapenen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bewapenen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bewapenend onvoltooid, deelwoord
bewapent je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
bewapent u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
bewapent u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bewapent zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
bewapent zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
bewapent zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
er is bewapend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was bewapend impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd bewapend impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt bewapend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal bewapend worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal bewapend zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou bewapend worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou bewapend zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had bewapend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had bewapend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had bewapend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden bewapend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden bewapend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden bewapend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt bewapend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb bewapend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bewapend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben bewapend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bewapend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben bewapend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt bewapend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bewapend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bewapend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is bewapend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is bewapend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te bewapenen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben bewapend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bewapenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart bewapend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren bewapend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren bewapend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren bewapend voltooid, verleden tijd, derde persoon
was bewapend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was bewapend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was bewapend voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd bewapend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd bewapend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd bewapend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden bewapend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden bewapend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden bewapend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt bewapend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word bewapend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden bewapend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden bewapend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden bewapend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt bewapend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt bewapend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal bewapend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bewapend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal bewapend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bewapend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bewapend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal bewapend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bewapend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bewapenen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bewapenen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bewapenen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal me bewapenen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich bewapenen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je bewapenen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich bewapend hebben verleden tijd
zich bewapenend onvoltooid, deelwoord
zijn bewapend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn bewapend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn bewapend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt bewapend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou bewapend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bewapend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bewapend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bewapend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bewapend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou bewapend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bewapend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bewapend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bewapend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bewapenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bewapenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bewapenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden bewapend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bewapend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bewapend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bewapend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bewapend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bewapend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bewapend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bewapend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bewapend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bewapenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bewapenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bewapenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt bewapend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bewapend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bewapend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bewapenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen bewapend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bewapend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bewapend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bewapend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Herkomst

Afgeleid van wapen met het voorvoegsel be- of afgeleid van wapenen met het voorvoegsel be-

Woordfamilie van bewapenen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bewapen gebiedende wijs bewapenen
bewapend voltooid deelwoord bewapenen
bewapende verleden tijd bewapenen
bewapenden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon bewapenen
bewapene aanvoegende wijs bewapenen
bewapenend onvoltooid deelwoord bewapenen
bewapenende woordvorm bewapenen
bewapent aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon bewapenen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bewapenen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over bewapenen

Hoe spreek ik bewapenen uit?
Zo spreek je bewapenen uit: /bəˈwapənə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van bewapenen?
Bewapenen is een werkwoord. De betekenis is: iets of iemand van wapens voorzien. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik bewapenen?
Zo vervoeg je bewapenen zo: de tegenwoordige tijd is bewapen, de verleden tijd is bewapende en het voltooid deelwoord is bewapend. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bewapenen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. E 1
  3. W 5
  4. A 1
  5. P 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bewapenen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. E 1
  3. W 5
  4. A 1
  5. P 4
  6. E 1
  7. N 1
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 zonder bonus
  11. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

bewapenen in het kort

bewapenen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van bewapenen staan er 103 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort bewapenen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

bewapenen: iets of iemand van wapens voorzien
Deel bewapenen — standaardnederlands.nl