bevoorraden
werkwoord bəˈvoradə(n)Betekenis
- voorzien van benodigdheden
- zich ~; zichzelf van de nodige zaken voorzien
Hoe spreek je bevoorraden uit?
/bəˈvoradən/
Bevoorraden bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| v | vis |
| o | boot |
| r | rood |
| a | maan |
| d | dak |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bevoorraden
bevoorradenhele werkwoord — bevoorraaddeverleden tijd enkelvoud — bevoorraaddenverleden tijd meervoud — bevoorraadvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bevoorraad | bevoorraadde |
| jij | bevoorraadt | bevoorraadde |
| hij, zij, het | bevoorraadt | bevoorraadde |
| wij | bevoorraden | bevoorraadden |
| jullie | bevoorraden | bevoorraadden |
| zij | bevoorraden | bevoorraadden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben bevoorraad | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bevoorraad | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bevoorraad | gebiedende wijs |
| bevoorraad | verleden tijd, deelwoord |
| bevoorraad me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bevoorraad te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bevoorraad te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bevoorraad te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bevoorraad te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bevoorraad te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bevoorraad u/je , bevoorraadt je | gebiedende wijs |
| bevoorraad worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bevoorraad zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bevoorraad zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bevoorraad zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bevoorraad zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bevoorraadde | verleden tijd |
| bevoorraadde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bevoorraadde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bevoorraadde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| bevoorraadde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bevoorraadde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bevoorraadde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| bevoorraadde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bevoorraadden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bevoorraadden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| bevoorraadden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| bevoorraadt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bevoorraadt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bevoorraadt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bevoorraadt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bevoorraadt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bevoorraadt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bevoorrade | aanvoegende wijs |
| bevoorrade zich | aanvoegende wijs |
| bevoorraden je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bevoorraden ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bevoorraden zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bevoorradend | onvoltooid, deelwoord |
| er is bevoorraad | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bevoorraad | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bevoorraad | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bevoorraad | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bevoorraad worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bevoorraad zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bevoorraad worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bevoorraad zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bevoorraad | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bevoorraad | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bevoorraad | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bevoorraad | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bevoorraad | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bevoorraad | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bevoorraad | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bevoorraad | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bevoorraad | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bevoorraad | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bevoorraad | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bevoorraad | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bevoorraad | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bevoorraad | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bevoorraad | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is bevoorraad | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bevoorraad | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bevoorraden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bevoorraad | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bevoorraden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bevoorraad | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bevoorraad | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bevoorraad | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bevoorraad | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bevoorraad | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bevoorraad | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bevoorraad | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd bevoorraad | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd bevoorraad | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd bevoorraad | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden bevoorraad | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden bevoorraad | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden bevoorraad | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt bevoorraad | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word bevoorraad | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden bevoorraad | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden bevoorraad | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden bevoorraad | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt bevoorraad | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt bevoorraad | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bevoorraad hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bevoorraad hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bevoorraad hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bevoorraad worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bevoorraad worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal bevoorraad zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bevoorraad zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bevoorraden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bevoorraden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bevoorraden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal me bevoorraden | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich bevoorraden | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je bevoorraden | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich bevoorraad hebben | verleden tijd |
| zich bevoorradend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn bevoorraad | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bevoorraad | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bevoorraad | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bevoorraad | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bevoorraad hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bevoorraad hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bevoorraad hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bevoorraad worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bevoorraad worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou bevoorraad worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bevoorraad zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bevoorraad zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bevoorraad zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bevoorraden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bevoorraden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bevoorraden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden bevoorraad hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bevoorraad hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bevoorraad hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bevoorraad worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bevoorraad worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bevoorraad worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bevoorraad zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bevoorraad zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bevoorraad zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bevoorraden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bevoorraden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bevoorraden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt bevoorraad hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bevoorraad worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bevoorraad zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bevoorraden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen bevoorraad hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bevoorraad hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bevoorraad hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bevoorraad worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
Afgeleid van voorraad met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van bevoorraden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bevoorraadde | verleden tijd | bevoorraden |
| bevoorraadden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bevoorraden |
| bevoorraadt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bevoorraden |
| bevoorradend | onvoltooid deelwoord | bevoorraden |
| bevoorradende | woordvorm | bevoorraden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bevoorraden zijn vastgelegd.