betwijfelen
werkwoordBetekenis
- iets in twijfel trekken
Vervoeging van betwijfelen
betwijfelenhele werkwoord — betwijfeldeverleden tijd enkelvoud — betwijfeldenverleden tijd meervoud — betwijfeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | betwijfel | betwijfelde |
| jij | betwijfelt | betwijfelde |
| hij, zij, het | betwijfelt | betwijfelde |
| wij | betwijfelen | betwijfelden |
| jullie | betwijfelen | betwijfelden |
| zij | betwijfelen | betwijfelden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben betwijfeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent betwijfeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| betwijfel | gebiedende wijs |
| betwijfeld | verleden tijd, deelwoord |
| betwijfeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| betwijfeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| betwijfeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| betwijfeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| betwijfeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| betwijfeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| betwijfeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| betwijfeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| betwijfeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| betwijfeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| betwijfelde | verleden tijd |
| betwijfele | aanvoegende wijs |
| betwijfelend | onvoltooid, deelwoord |
| er is betwijfeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was betwijfeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd betwijfeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt betwijfeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal betwijfeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal betwijfeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou betwijfeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou betwijfeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had betwijfeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had betwijfeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had betwijfeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden betwijfeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden betwijfeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden betwijfeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt betwijfeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb betwijfeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben betwijfeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben betwijfeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben betwijfeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben betwijfeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt betwijfeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft betwijfeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft betwijfeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is betwijfeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is betwijfeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te betwijfelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben betwijfeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen betwijfelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart betwijfeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren betwijfeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren betwijfeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren betwijfeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was betwijfeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was betwijfeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was betwijfeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd betwijfeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd betwijfeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd betwijfeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden betwijfeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden betwijfeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden betwijfeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt betwijfeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word betwijfeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden betwijfeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden betwijfeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden betwijfeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt betwijfeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt betwijfeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal betwijfeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal betwijfeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal betwijfeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal betwijfeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal betwijfeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal betwijfeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal betwijfeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal betwijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal betwijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal betwijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn betwijfeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn betwijfeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn betwijfeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt betwijfeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou betwijfeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou betwijfeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou betwijfeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou betwijfeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou betwijfeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou betwijfeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou betwijfeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou betwijfeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou betwijfeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou betwijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou betwijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou betwijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden betwijfeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden betwijfeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden betwijfeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden betwijfeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden betwijfeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden betwijfeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden betwijfeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden betwijfeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden betwijfeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden betwijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden betwijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden betwijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt betwijfeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt betwijfeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt betwijfeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt betwijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen betwijfeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen betwijfeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen betwijfeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen betwijfeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen betwijfeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen betwijfeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen betwijfeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen betwijfeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen betwijfeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen betwijfelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen betwijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen betwijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen betwijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult betwijfeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult betwijfeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult betwijfeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult betwijfelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘ergens aan twijfelen’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van betwijfelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| betwijfel | gebiedende wijs | betwijfelen |
| betwijfeld | voltooid deelwoord | betwijfelen |
| betwijfelde | verleden tijd | betwijfelen |
| betwijfelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | betwijfelen |
| betwijfele | aanvoegende wijs | betwijfelen |
| betwijfelend | onvoltooid deelwoord | betwijfelen |
| betwijfelende | woordvorm | betwijfelen |
| betwijfelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | betwijfelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van betwijfelen zijn vastgelegd.