betuttelen
werkwoordBetekenis
- paternalistisch, bemoeizuchtig, vitterig behandelen
Vervoeging van betuttelen
betuttelenhele werkwoord — betutteldeverleden tijd enkelvoud — betutteldenverleden tijd meervoud — betutteldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | betuttel | betuttelde |
| jij | betuttelt | betuttelde |
| hij, zij, het | betuttelt | betuttelde |
| wij | betuttelen | betuttelden |
| jullie | betuttelen | betuttelden |
| zij | betuttelen | betuttelden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben betutteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent betutteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| betuttel | gebiedende wijs |
| betutteld | verleden tijd, deelwoord |
| betutteld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| betutteld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| betutteld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| betutteld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| betutteld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| betutteld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| betutteld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| betutteld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| betutteld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| betutteld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| betuttelde | verleden tijd |
| betuttele | aanvoegende wijs |
| betuttelend | onvoltooid, deelwoord |
| er is betutteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was betutteld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd betutteld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt betutteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal betutteld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal betutteld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou betutteld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou betutteld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had betutteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had betutteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had betutteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden betutteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden betutteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden betutteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt betutteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb betutteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben betutteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben betutteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben betutteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben betutteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt betutteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft betutteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft betutteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is betutteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is betutteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te betuttelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben betutteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen betuttelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart betutteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren betutteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren betutteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren betutteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was betutteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was betutteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was betutteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd betutteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd betutteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd betutteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden betutteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden betutteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden betutteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt betutteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word betutteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden betutteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden betutteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden betutteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt betutteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt betutteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal betutteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal betutteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal betutteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal betutteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal betutteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal betutteld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal betutteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal betuttelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal betuttelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal betuttelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn betutteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn betutteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn betutteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt betutteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou betutteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou betutteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou betutteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou betutteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou betutteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou betutteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou betutteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou betutteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou betutteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou betuttelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou betuttelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou betuttelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden betutteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden betutteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden betutteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden betutteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden betutteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden betutteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden betutteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden betutteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden betutteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden betuttelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden betuttelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden betuttelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt betutteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt betutteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt betutteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt betuttelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen betutteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen betutteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen betutteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen betutteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen betutteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen betutteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen betutteld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen betutteld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen betutteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen betuttelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen betuttelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen betuttelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen betuttelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult betutteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult betutteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult betutteld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult betuttelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘kleine verbeteringen aanbrengen’ voor het eerst aangetroffen in 1632
Woordfamilie van betuttelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| betuttel | gebiedende wijs | betuttelen |
| betutteld | voltooid deelwoord | betuttelen |
| betuttelde | verleden tijd | betuttelen |
| betuttelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | betuttelen |
| betuttele | aanvoegende wijs | betuttelen |
| betuttelend | onvoltooid deelwoord | betuttelen |
| betuttelende | woordvorm | betuttelen |
| betuttelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | betuttelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van betuttelen zijn vastgelegd.