betrouwen
werkwoordBetekenis
- vertrouwen op
- vertrouwen
Vervoeging van betrouwen
betrouwenhele werkwoord — betrouwdeverleden tijd enkelvoud — betrouwdenverleden tijd meervoud — betrouwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | betrouw | betrouwde |
| jij | betrouwt | betrouwde |
| hij, zij, het | betrouwt | betrouwde |
| wij | betrouwen | betrouwden |
| jullie | betrouwen | betrouwden |
| zij | betrouwen | betrouwden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben betrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent betrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| betrouw | gebiedende wijs |
| betrouwd | verleden tijd, deelwoord |
| betrouwd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| betrouwd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| betrouwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| betrouwd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| betrouwd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| betrouwd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| betrouwd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| betrouwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| betrouwd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| betrouwd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| betrouwde | verleden tijd |
| betrouwe | aanvoegende wijs |
| betrouwend | onvoltooid, deelwoord |
| er is betrouwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was betrouwd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd betrouwd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt betrouwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal betrouwd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal betrouwd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou betrouwd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou betrouwd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had betrouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had betrouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had betrouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden betrouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden betrouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden betrouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt betrouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb betrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben betrouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben betrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben betrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben betrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt betrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft betrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft betrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is betrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is betrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te betrouwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben betrouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen betrouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart betrouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren betrouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren betrouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren betrouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was betrouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was betrouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was betrouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd betrouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd betrouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd betrouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden betrouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden betrouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden betrouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt betrouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word betrouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden betrouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden betrouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden betrouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt betrouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt betrouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal betrouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal betrouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal betrouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal betrouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal betrouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal betrouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal betrouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal betrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal betrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal betrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn betrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn betrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn betrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt betrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou betrouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou betrouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou betrouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou betrouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou betrouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou betrouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou betrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou betrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou betrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou betrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou betrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou betrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden betrouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden betrouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden betrouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden betrouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden betrouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden betrouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden betrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden betrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden betrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden betrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden betrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden betrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt betrouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt betrouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt betrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt betrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen betrouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen betrouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen betrouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen betrouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen betrouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen betrouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen betrouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen betrouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen betrouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen betrouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen betrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen betrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen betrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult betrouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult betrouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult betrouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult betrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van trouwen met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van betrouwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| betrouw | gebiedende wijs | betrouwen |
| betrouwd | voltooid deelwoord | betrouwen |
| betrouwde | verleden tijd | betrouwen |
| betrouwden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | betrouwen |
| betrouwe | aanvoegende wijs | betrouwen |
| betrouwend | onvoltooid deelwoord | betrouwen |
| betrouwende | woordvorm | betrouwen |
| betrouwt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | betrouwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van betrouwen zijn vastgelegd.