Naar de inhoud

beteugelen

in bedwang houden, intomen, bedwingen

beteugelen

werkwoord bəˈtøɣələ(n)

Betekenis

  1. in bedwang houden, intomen, bedwingen

Hoe spreek je beteugelen uit?

/bəˈtøxələn/

Beteugelen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /bəˈtøxələn/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
b bak
ə de
t tak
ø deur
x acht
l land
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van beteugelen

beteugelenhele werkwoord — beteugeldeverleden tijd enkelvoud — beteugeldenverleden tijd meervoud — beteugeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik beteugel beteugelde
jij beteugelt beteugelde
hij, zij, het beteugelt beteugelde
wij beteugelen beteugelden
jullie beteugelen beteugelden
zij beteugelen beteugelden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben beteugeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent beteugeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
beteugel gebiedende wijs
beteugeld verleden tijd, deelwoord
beteugeld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
beteugeld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
beteugeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
beteugeld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
beteugeld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
beteugeld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
beteugeld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
beteugeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
beteugeld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
beteugeld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
beteugelde verleden tijd
beteugele aanvoegende wijs
beteugelend onvoltooid, deelwoord
er is beteugeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was beteugeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd beteugeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt beteugeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal beteugeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal beteugeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou beteugeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou beteugeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had beteugeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had beteugeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had beteugeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden beteugeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden beteugeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden beteugeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt beteugeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb beteugeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben beteugeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben beteugeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben beteugeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben beteugeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt beteugeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft beteugeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft beteugeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is beteugeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is beteugeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te beteugelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben beteugeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen beteugelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart beteugeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren beteugeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren beteugeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren beteugeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was beteugeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was beteugeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was beteugeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd beteugeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd beteugeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd beteugeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden beteugeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden beteugeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden beteugeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt beteugeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word beteugeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden beteugeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden beteugeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden beteugeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt beteugeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt beteugeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal beteugeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal beteugeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal beteugeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal beteugeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal beteugeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal beteugeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal beteugeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal beteugelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal beteugelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal beteugelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn beteugeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn beteugeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn beteugeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt beteugeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou beteugeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou beteugeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou beteugeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou beteugeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou beteugeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou beteugeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou beteugeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou beteugeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou beteugeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou beteugelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou beteugelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou beteugelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden beteugeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden beteugeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden beteugeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden beteugeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden beteugeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden beteugeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden beteugeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden beteugeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden beteugeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden beteugelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden beteugelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden beteugelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt beteugeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt beteugeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt beteugeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt beteugelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen beteugeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen beteugeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen beteugeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen beteugeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen beteugeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen beteugeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen beteugeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen beteugeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen beteugeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen beteugelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen beteugelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen beteugelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen beteugelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult beteugeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult beteugeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult beteugeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult beteugelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Afgeleid van teugel met het voorvoegsel be-.

Woordfamilie van beteugelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
beteugel gebiedende wijs beteugelen
beteugeld voltooid deelwoord beteugelen
beteugelde verleden tijd beteugelen
beteugelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon beteugelen
beteugele aanvoegende wijs beteugelen
beteugelend onvoltooid deelwoord beteugelen
beteugelende woordvorm beteugelen
beteugelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon beteugelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beteugelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over beteugelen

Hoe spreek je beteugelen uit?
De uitspraak van beteugelen is: /bəˈtøɣələ(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent beteugelen?
Beteugelen is een werkwoord. Het woord betekent: in bedwang houden, intomen, bedwingen.
Hoe vervoeg je beteugelen?
Je vervoegt beteugelen als volgt: de tegenwoordige tijd is beteugel, de verleden tijd is beteugelde en het voltooid deelwoord is beteugeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord beteugelen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. E 1
  3. T 2
  4. E 1
  5. U 4
  6. G 3
  7. E 1
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

beteugelen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. E 1
  3. T 2
  4. E 1
  5. U 2
  6. G 3
  7. E 1
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 zonder bonus
  12. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

beteugelen in het kort

beteugelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van beteugelen zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort beteugelen bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

beteugelen: in bedwang houden, intomen, bedwingen
Deel beteugelen — standaardnederlands.nl